ECLI:NL:RBOVE:2025:3127

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 maart 2025
Publicatiedatum
19 mei 2025
Zaaknummer
329177 FT RK 25.98
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratoriumverzoek ter voorkoming woningontruiming wegens huurschuld

De rechtbank Overijssel behandelde op 10 maart 2025 het verzoek van een huurder om een moratorium te verkrijgen ter voorkoming van ontruiming van zijn woning wegens huurachterstand. Sinds 3 februari 2025 is er beschermingsbewind ingesteld en recent is schuldhulpverlening aangevraagd. De schuldenlast bedroeg op 17 februari 2025 ruim €13.000, waarvan een aanzienlijk deel aan de verhuurder.

De verhuurder stelde dat er naast huurachterstand ook sprake was van overlast, maar deze overlast was niet de grondslag voor de ontbinding van de huurovereenkomst. De rechtbank overwoog dat het moratorium bedoeld is om een minnelijk traject mogelijk te maken en dat het belang van de schuldenaar bij het treffen van een regeling voorop staat, tenzij dit het belang van de schuldeiser onevenredig schaadt.

Gezien de recente beschermingsbewindvoering, de betrokkenheid van schuldhulpverlening en het feit dat de overlast niet de reden voor ontbinding was, besloot de rechtbank het moratorium toe te wijzen voor drie maanden, korter dan de gevraagde zes maanden. De verhuurder is verboden om de woning te ontruimen gedurende deze periode, tenzij de huurder niet tijdig en volledig de huur voldoet. De rechtbank benadrukte dat de huurder deze kans moet benutten om zijn situatie te verbeteren.

Uitkomst: Moratorium toegekend voor drie maanden ter voorkoming van woningontruiming wegens huurachterstand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 329177 FT RK 25.98
Datum vonnis: 10 maart 2025
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker 1],

wonende te [woonplaats],
verzoeker,
verder ook te noemen: [verzoeker 2],
gemachtigde: Budget Adviesbureau Deventer (BAD),
tegen

de stichting Stichting Woonbedrijf Ieder1,

gevestigd te Deventer,
verweerster,
gemachtigde: BJK Gerechtsdeurwaarders & Incassospecialisten te Deventer,
verder ook te noemen: de deurwaarder.
Ten aanzien van de goederen van [verzoeker 2] is een onderbewindstelling uitgesproken, met benoeming van De Financiële Hulpverlener B.V. te Deventer tot (beschermings)bewindvoerder.

Het procesverloop

[verzoeker 2] heeft een verzoek gedaan tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (verzoek schuldsanering) en heeft tevens verzocht om verweerster (gedurende zes maanden) te verbieden over te gaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Overijssel, Team Kanton en Handelsrecht, zittingsplaats Zwolle, d.d. 21 januari 2025 tot ontruiming van de woning van [verzoeker 2] aan de [adres] (verzoek ex artikel 287b Faillissementswet).
Bij vonnis van 24 februari 2025 is het verweerster, zonder partijen te horen, verboden tot en met 17 maart 2025 de woning aan de [adres] te ontruimen. De inhoudelijke behandeling van het verzoek ex 287b Faillissementswet (verzoek moratorium) is gepland op de zitting van 3 maart 2025 om 13:00 uur in het gerechtsgebouw in Almelo.
Het vonnis van 24 februari 2025 wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2025, waarvan aantekeningen zijn gemaakt. Ter zitting zijn [verzoeker 2], de heer [beschermingsbewindvoerder] (beschermingsbewindvoerder), de heer [naam 1] (BAD) en de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] namens verweerster, verschenen. Verder is er niemand verschenen.
De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing
De feiten
Sinds 3 februari 2025 is er sprake van beschermingsbewind. [verzoeker 2] ontvangt een PW-uitkering. Op 17 februari 2025 bedroeg de tot dan toe geïnventariseerde schuldenlast
€ 13.451,05, waaronder de schuld aan verweerster van € 5.761,21.
De behandeling ter zitting
De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat de huur voor de maand maart 2025 is betaald, hetgeen verweerster heeft bevestigd. De PW-uitkering wordt sinds kort ontvangen op de beheerrekening bij de beschermingsbewindvoerder. Volgens de beschermingsbewindvoerder kan de huur vanaf heden maandelijks automatisch worden geïncasseerd door verweerster.
Mevrouw [naam 3] ([naam 3]) heeft verklaard dat er naast een huurachterstand ook sprake is van overlast. Die overlast is echter niet ten grondslag gelegd aan de procedure bij de kantonrechter, die heeft geleid tot het vonnis waarin de ontbinding van de huurovereenkomst is uitgesproken. Volgens [naam 3] vindt de overlast in ‘golfbewegingen’ plaats en is het al weer een aantal weken onrustig. [naam 3] heeft verklaard dat verlenging van de duur van het moratorium tot maximaal zes maanden wat verweerster betreft geen goede oplossing is.
De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat sinds kort het Bijzonder Zorgteam bij [verzoeker 2] is betrokken en dat de reclassering ook toezicht op [verzoeker 2] houdt. [verzoeker 2] heeft verklaard geen overlast (meer) te zullen veroorzaken.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b tot doel heeft een minnelijk traject mogelijk te maken teneinde een regeling met schuldeisers te treffen. Bij een moratorium staat het belang van de schuldenaar bij het treffen van een minnelijke regeling voorop, tenzij dit in strijd is met het belang van de schuldeiser, bijvoorbeeld met het belang van de schuldeiser bij ontruiming wegens huurschulden.
De rechtbank concludeert dat aan de (wettelijke) vereisten voor het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b Faillissementswet is voldaan.
Er is sprake van een bedreigende situatie in de zin van een woningontruiming die aan het beproeven en treffen van een minnelijke regeling in de weg staat.
De rechtbank concludeert ook dat, hoewel in de procedure bij de kantonrechter slechts is ingezet op de huurachterstand, er volgens verweerster ook sprake is van overlast.
Als gevolg daarvan en ook gelet op het feit dat [verzoeker 2] eerst zeer recent via de, eveneens zeer recent, benoemde beschermingsbewindvoerder een beroep heeft gedaan op schuldhulpverlening, zal de rechtbank afwijken van de verzochte termijn van zes maanden en het verzoek moratorium toewijzen voor een termijn van drie maanden.
De rechtbank zal verweerster verbieden de woning aan de [adres] gedurende een termijn van in totaal drie maanden, ingaande op 24 februari 2025, te ontruimen, tenzij [verzoeker 2] de huur vanaf de eerstvolgende vervaldatum niet steeds stipt en volledig voldoet.
De rechtbank wijst [verzoeker 2] er uitdrukkelijk op dat hem hiermee een uitzonderlijke kans wordt geboden om zijn leven, waaronder zijn problematische schuldensituatie, maar ook zijn woonsituatie, op orde te krijgen. Indien [verzoeker 2] voortgaat met het veroorzaken van de door verweerster gestelde overlast, zal [verzoeker 2] dit doel niet bereiken.

De beslissing

De rechtbank:
I. verbiedt verweerster over te gaan tot ontruiming van de woning aan de [adres] voor de duur van deze voorlopige voorziening, tenzij [verzoeker 2] de vanaf de eerstvolgende vervaldatum verschuldigde huur niet steeds stipt en volledig voldoet;
II. bepaalt de duur van deze voorlopige voorziening op drie maanden vanaf 24 februari 2025, zodat de voorlopige voorziening eindigt op 24 mei 2025, tenzij eerder door de rechtbank is beslist op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan wel het verzoek door [verzoeker 2] wordt ingetrokken, in welke gevallen de voorlopige voorziening eerder eindigt;
III. wijst het meer of anders verzochte hierbij af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.