Op 8 juli 2019 is een arbeidsovereenkomst aangegaan tussen de werknemer en de werkgever. Sinds 20 december 2022 is de werknemer arbeidsongeschikt. De bewindvoerder van de werknemer vordert betaling van achterstallig loon over meerdere maanden in 2023 en 2024, alsmede de transitievergoeding.
De kantonrechter stelt vast dat de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, waardoor de transitievergoeding niet toekomt. De loonvordering, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 50% en wettelijke rente, wordt toegewezen. Tevens wordt de gedaagde veroordeeld tot het toezenden van correcte loonspecificaties met een dwangsom bij niet-naleving.
Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van €779,95 en proceskosten van €771,57 toegewezen. De vorderingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard zodat onmiddellijke uitvoering mogelijk is. De gedaagde is verstek verklaard wegens niet verschijnen en het vonnis is op 15 mei 2025 gewezen door de kantonrechter.