Tussen partij A (aannemer) en partij B (opdrachtgever) is een aannemingsovereenkomst gesloten voor het bouwen van een kapschuur bij een klant van partij B. Partijen spraken geen betalingsmoment af. Partij A stuurde een deelfactuur die partij B niet betaalde, waarna partij A zijn werkzaamheden opschortte. De rechtbank oordeelde dat de factuur nog niet opeisbaar was omdat de kapschuur niet was opgeleverd, waardoor opschorting niet was toegestaan.
Partij A vorderde betaling van de aanneemsom, maar de rechtbank wees deze af wegens het ontbreken van een opeisbare vordering. Ook een vordering tot redelijk loon werd afgewezen omdat partijen een totaalprijs hadden afgesproken. Partij B stelde dat partij A tekort was geschoten, wat schade veroorzaakte in de relatie met diens klant. Deze schadevorderingen werden afgewezen omdat het causale verband onvoldoende was onderbouwd.
Daarnaast werd het conservatoir beslag op het woonhuis van partij B opgeheven wegens ondeugdelijkheid van het beslag. Beide partijen werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten in conventie en reconventie. Het vonnis werd gewezen door rechter A. Smedes en op 22 januari 2025 in het openbaar uitgesproken.