Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van Wierden
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de rechtbank
Bestuurlijke dwangsom
Rechtbank Overijssel
Eiser diende een handhavingsverzoek in tegen vergunninghouder vanwege overtredingen van vergunningvoorschriften omtrent het graven van een greppel. Het college legde een last onder dwangsom op, maar trok deze later in, omdat het meende dat aan de last was voldaan. Eiser voerde aan dat er nog wateroverlast was en dat de intrekking prematuur was.
De rechtbank oordeelde dat het college ten onrechte aannam dat op 18 augustus 2024 volledig aan de last was voldaan, omdat een hercontrole van 13 november 2024 aantoonde dat de werkzaamheden pas daarna voldeden aan de voorschriften. Daarom was de intrekking prematuur en werd het besluit vernietigd. Desondanks blijven de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat feitelijk aan de last is voldaan.
Verder stelde de rechtbank vast dat het college niet tijdig had beslist op het handhavingsverzoek en daardoor een bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- aan eiser verschuldigd is. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen en tegen de last onder dwangsom werd niet-ontvankelijk verklaard, terwijl het beroep tegen de intrekking van de last gegrond werd verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot intrekking van de last onder dwangsom, stelt de bestuurlijke dwangsom vast en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.