Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsmotivering
Ik voelde vervolgens een klap tegen mijn hoofd en werd er dizzy van. (..) Ineens voelde ik een hele scherpe brandende pijn in mijn hals. Ik draaide me om en voelde op een gegeven moment wat in mijn nek lopen. (..) ik voelde iets in mijn hals. Ik voelde mijn vinger verdwijnen in een soort gat. Het bloed spoot eruit. (..) Ik zag dat [verdachte] op de parkeerplaats stond. Ik zag dat [verdachte] een groot mes in zijn handen had.’
Ik zag dat [verdachte] naar de woonkamer ging, de televisie verplaatste en een mes pakte van achter de televisie.’ [getuige] heeft dit bevestigd in een tweede verhoor. Op de vraag waarom verdachte een mes pakte heeft [getuige] geantwoord: ‘
Omdat hij bij de keel gegrepen werd. Bij die gang waar van alles gebeurde zei hij dat hij bij zijn keel gegrepen was’. Daarna zag [getuige] ‘
dat bij de bovenbuurvrouw de keel was opengesneden. Ze zat helemaal onder het bloed’.
hoedat precies is gegaan blijkt niet uit het dossier. Geen van de getuigen heeft gezien op welke wijze verdachte het letsel heeft toegebracht, en ook uit de letselrapportage kan dit niet worden afgeleid. Ook blijkt niet uit het dossier met welke bedoeling verdachte heeft gehandeld. Verdachte kan zich het incident niet precies herinneren, omdat het “een waas” werd en hij in paniek raakte. Van vol opzet op de dood van [slachtoffer 1] kan dus niet worden gesproken.
De aanmerkelijke kans op de dood
De bewuste aanvaarding van die kans
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De op te leggen straf of maatregel
ik zag en hoorde dat [verdachte] veel mensen belde om hem te komen halen. [verdachte] leek heel erg in paniek. Ik hoorde hem dingen zeggen als dat ze hem moesten komen halen’.). Ten derde heeft verdachte tijdens de zitting er blijk van gegeven spijt te hebben van het gebeuren en zijn excuses aangeboden aan het slachtoffer. Tot slot acht de rechtbank het van belang dat verdachte het traject dat hij heeft ingezet kan voortzetten en dat hem die kans moet worden geboden. Alles afwegende acht de rechtbank in dit geval daarom een gevangenisstraf conform het voorarrest (209 dagen) passend en geboden. De rechtbank veroordeelt hem daarom tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 209 dagen. Dat betekent dat hij niet terug hoeft in detentie.
7.De schade van benadeelde
8.De vordering tenuitvoerlegging
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
poging tot doodslag;
gevangenisstrafvoor de duur van
209 (tweehonderdnegen) dagen;
ter beschikking wordt gestelden stelt daarbij de volgende
voorwaarden;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 8.660,34 (zegge: achtduizend zeshonderdzestig euro en vierendertig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2024, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 78 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
verlengtde proeftijd van de bij vonnis van deze rechtbank op 19 september 2023 voorwaardelijk opgelegde
gevangenisstrafvoor de duur van acht maanden, met twee jaren.