Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2025:3765

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 juni 2025
Publicatiedatum
12 juni 2025
Zaaknummer
C/08/329894 / KG ZA 25-39
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:307 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot indeplaatsstelling huurder bedrijfsruimte in kort geding

Eiser huurt sinds 2017 een bedrijfsruimte voor horeca en wil haar bedrijf overdragen aan bedrijf 2, waarvoor zij indeplaatsstelling als huurder verzoekt. Gedaagde weigert medewerking en wil alleen de huurovereenkomst beëindigen om zelf met bedrijf 2 te onderhandelen.

De rechtbank beoordeelt in kort geding of het spoedeisend belang en de aannemelijkheid van de vordering voldoende zijn. Volgens artikel 7:307 lid 2 BW Pro moet de overdracht zien op het in het gehuurde uitgeoefende bedrijf, moet er een zwaarwichtig belang zijn en moet de nieuwe huurder voldoende waarborgen bieden.

Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een daadwerkelijke bedrijfsoverdracht en heeft geen financiële informatie of zekerheden overgelegd. Gedaagde betwist de overdracht gemotiveerd en stelt dat bedrijf 2 mogelijk niet eens onderhuurder is. Hierdoor is niet aannemelijk dat aan de wettelijke vereisten wordt voldaan.

De rechtbank concludeert dat het niet waarschijnlijk is dat de bodemrechter de indeplaatsstelling zal toewijzen en wijst het verzoek af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van bijna € 2.000, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot indeplaatsstelling af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/329894 / KG ZA 25-39
Vonnis in kort geding van 10 juni 2025
in de zaak van
[eiser], handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R.J.H. van der Wal,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. D.B. Dubach.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van [eiser]
- de producties van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 27 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en aan de zijde van [eiser] en [gedaagde] pleitaantekeningen zijn overgelegd.

2.De feiten

2.1.
[eiser] huurt van [gedaagde] een bedrijfsruimte met de functie horeca aan de [adres]. De huurovereenkomst is gesloten op
1 december 2017 en op 30 november 2022 met vijf jaar verlengd, waardoor deze loopt tot
1 december 2027.
2.2.
[eiser] heeft de bedrijfsruimte per 1 januari 2023 onderverhuurd aan een besloten vennootschap in oprichting. Dit volgt uit een huurovereenkomst die op 30 december 2022 is getekend door [eiser] en drie andere personen.
2.3.
Bij brief van 13 december 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] verzocht om [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]) in haar plaats te stellen als huurder, in die zin dat de bestaande huurovereenkomst met [gedaagde] door [bedrijf 2] wordt voortgezet. [gedaagde] heeft dit verzoek afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat zij wordt gemachtigd om [bedrijf 2] in haar plaats te stellen als huurder van de bedrijfsruimte, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan deze vordering, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Zij wil haar bedrijf aan [bedrijf 2] overdragen, waarover al afspraken zijn gemaakt. [gedaagde] wil niet meewerken aan de verzochte huurindeplaatsstelling en alleen akkoord gaan met een beëindiging van de huurovereenkomst, zodat zij vervolgens zelf met [bedrijf 2] kan onderhandelen over een nieuwe huurovereenkomst. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] geen gegronde redenen om de indeplaatsstelling en daarmee de bedrijfsoverdracht in de weg te staan. [eiser] stelt een spoedeisend en zwaarwegend belang te hebben bij de overdracht van haar bedrijf aan [bedrijf 2], omdat zij haar bedrijfsactiviteiten wil staken zodat zij aanspraak kan maken op een IOAZ-uitkering. [bedrijf 2] biedt volgens [eiser] voldoende financiële waarborgen voor volledige nakoming van de huurovereenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering.
3.3.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als de eiser daarbij een spoedeisend belang heeft. Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.2.
Aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten en omstandigheden moet dus zonder nader onderzoek worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat de verzochte indeplaatsstelling in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Een vordering tot indeplaatsstelling is volgens artikel 7:307 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) alleen toewijsbaar als 1) de gewenste overdracht ziet op het door de huurder in het gehuurde uitgeoefende bedrijf, 2) de huurder een zwaarwichtig belang heeft bij de overdracht van het bedrijf en 3) de nieuwe huurder voldoende waarborgen biedt voor een volledige nakoming van de huurovereenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering.
4.3.
Nog daargelaten de vraag of [eiser] wel een spoedeisend belang bij haar vordering en een zwaarwegend belang bij de overdracht van haar bedrijf zou kunnen hebben, is haar vordering niet toewijsbaar. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
4.4.
Allereerst heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is van een bedrijfsoverdracht van een door haar in de bedrijfsruimte uitgeoefend bedrijf. [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt wat zij precies in het gehuurde exploiteert en geen akte of overeenkomst overgelegd waaruit volgt dat sprake is van een bedrijfs- of activaoverdracht aan [bedrijf 2]. Nu [gedaagde] de bedrijfsoverdracht gemotiveerd heeft betwist, staat niet vast dat daarvan sprake is.
4.5.
[eiser] heeft [gedaagde] daarnaast geen (financiële) informatie over [bedrijf 2] en geen zekerheden voor nakoming van de huurovereenkomst door [bedrijf 2] verstrekt. Zij heeft in de dagvaarding enkel gesteld dat de exploitatie van [bedrijf 2] al een aantal jaren in het gehuurde is gevestigd, [bedrijf 2] aanzienlijke investeringen (€ 150.000,00) in de inventaris van het bedrijfspand heeft gedaan en het ondernemers betreft die meerdere gerenommeerde horecazaken exploiteren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] daarmee onvoldoende heeft onderbouwd dat [bedrijf 2] voldoende waarborgen biedt voor een volledige nakoming van de huurovereenkomst en voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Weliswaar was [gedaagde] bekend met de onderhuurovereenkomst, maar zij zegt niet bekend te zijn met [bedrijf 2]. Uit de overgelegde onderhuurovereenkomst blijkt dat deze is gesloten met een besloten vennootschap in oprichting zonder naam en namens die vennootschap is ondertekend door drie natuurlijke personen. Volgens [gedaagde] is de onderhuurovereenkomst nooit door een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] bekrachtigd. Of [bedrijf 2] onderhuurder van de bedrijfsruimte is, is dus maar de vraag. Maar ook als dat zo is, dan zegt dat niets over de huidige financiële positie en de bedrijfsvoering van [bedrijf 2]. Dat geldt ook voor de andere door [eiser] genoemde omstandigheden. [gedaagde] hoeft met de onderbouwing [eiser], waaruit zij onmogelijk kan opmaken of zij met een geschikte potentiële contractspartij van doen heeft, geen genoegen te nemen.
4.6.
Nu niet vast is komen te staan dat aan alle vereisten van artikel 7:307 lid 2 BW Pro is voldaan, is het niet waarschijnlijk dat de bodemrechter de gevorderde indeplaatsstelling zal toewijzen. De voorzieningenrechter wijst daarom de vordering van [eiser] af.
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.999,00
4.8.
De voorzieningenrechter zal de proceskostenveroordeling (ambtshalve) uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2025.