De rechtbank Overijssel behandelde de zaak tegen de vennootschap onder firma verdachte wegens overtreding van de Meststoffenwet in 2019 en 2020. Voor 2019 werd verdachte niet-ontvankelijk verklaard omdat het Openbaar Ministerie intern beleid hanteert om niet te vervolgen zolang een bezwaar- en beroepsprocedure over de knelgevallenregeling loopt. Voor 2020 werd verdachte bewezenverklaard wegens het opzettelijk produceren van 1.261,22 kilogram fosfaat meer dan het toegekende fosfaatrecht.
Verdachte voerde verweer op basis van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, verwijzend naar maatschappelijke en wetenschappelijke kritiek op de knelgevallenregeling. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat de strafrechtelijke handhaving van het fosfaatrechtenstelsel nog steeds gerechtvaardigd is. Ook het beroep op afwezigheid van alle schuld werd verworpen, omdat verdachte na de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven nog mogelijkheden had om binnen de fosfaatrechten te blijven.
Hoewel het feit strafbaar is en wettig en overtuigend bewezen, besloot de rechtbank geen straf op te leggen. Hierbij werd meegewogen dat verdachte sinds 2015 investeerde in een biologische melkveehouderij, dat de fosfaatrechten pas in 2018 werden ingevoerd, dat bezwaar en beroep lang liepen, en dat de financiële situatie en korte resterende periode in 2020 het naleven bemoeilijkten. Verdachte heeft zich verder niet eerder schuldig gemaakt aan strafbare feiten.