Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
- ongeveer 735 liter vloeistof, die met behulp van een elektronisch identificatieapparaat, de First Defender (hierna: FD), indicatief werd vastgesteld als BMK;
- ongeveer 20 liter vloeistof, met behulp van de FD indicatief vastgesteld als amfetamine;
- 209 sealpakketten van elk ongeveer 2,6 kilogram met tabletten (in totaal 1.500.000 tabletten);
- ongeveer 1100 kilo witte/gele poeder en brokken, met behulp van de FD indicatief vastgesteld als MAPA en APAA;
- veel verschillende soorten hardware, onder meer ketels, scheitrechters, emmers, klemdekselvaten, jerrycans, en IBC's.
.De feiten en omstandigheden die aan deze identificaties ten grondslag hebben gelegen, zijn opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van notities van de encro-gebruiker “[accountnaam 1]”, het aanvullend proces-verbaal van bevindingen over encro-gebruiker “[accountnaam 1]” en het proces-verbaal identificatie van “[alias 1]”. [8] Uit deze processen-verbaal komt naar voren dat verdachte ook wel “[alias 1]” genoemd wordt, hetgeen overeenkomt met het beroep van verdachte, en dat de EncroChat-gebruiker “[accountnaam 1]” verbleef op het adres “[adres 2] te [plaats 5]”, wat het adres is van de vriendin van verdachte en hun twee kinderen en op welk adres verdachte ook ingeschreven heeft gestaan. Verder is EncroChat-gebruiker “[accountnaam 1]” door zijn contacten opgeslagen als “[alias 1]” en “[alias 2]”, terwijl de voornaam van verdachte [verdachte] is, verdachte geboren is in [geboorteplaats] en zijn beroep [alias 1] is.
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro D van de Opiumwet gegeven verbod;
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De op te leggen straf of maatregel
7.De toegepaste wettelijke voorschriften
8.De beslissing
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro D van de Opiumwet gegeven verbod;
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) jaren;
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.