ECLI:NL:RBOVE:2025:3956

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 juni 2025
Publicatiedatum
20 juni 2025
Zaaknummer
11489477 \ CV EXPL 25-166
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:96 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering onverschuldigde betaling na tussentijdse beëindiging opdracht websiteontwikkeling

In 2023 sloten partijen een overeenkomst van opdracht waarbij Mediavisie een website zou ontwikkelen voor eiser. De overeenkomst werd op 21 augustus 2023 tussentijds beëindigd. Eiser had een aanbetaling gedaan en op 17 september 2024 een bedrag van €4.676,65 overgemaakt, dat Mediavisie als vergoeding voor onbetaalde uren beschouwde.

Eiser vorderde terugbetaling van dit bedrag op grond van onverschuldigde betaling. Mediavisie stelde dat het bedrag rechtmatig was en verwees naar een overzicht van bestede uren, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. De kantonrechter oordeelde dat het bedrag per abuis was overgemaakt en dat Mediavisie geen recht op betaling had.

De rechtbank wees de vordering van eiser toe, veroordeelde Mediavisie tot terugbetaling van het bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 december 2024, en tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Mediavisie is veroordeeld tot terugbetaling van €4.676,65 met rente en kosten wegens onverschuldigde betaling.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11489477 \ CV EXPL 25-166
Vonnis van 17 juni 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
MEDIAVISIE WEB B.V.,
te Deventer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Mediavisie,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en Mediavisie zijn in 2023 een overeenkomst van opdracht aangegaan, waarbij Mediavisie als opdrachtnemer een website diende te maken voor [eiser] als opdrachtgever. Daartoe heeft [eiser] een aanbetaling gedaan van € 4.698,00. De overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en Mediavisie is per 21 augustus 2023 tussentijds beëindigd.
2.2.
Op 17 september 2024 heeft [eiser] € 4.676,65 overgemaakt onder vermelding van “[nummer 2]”.
2.3.
Op 21 november 2024 heeft de boekhouder van [eiser] Mediavisie als volgt per e-mail bericht:

(…). Uit controle bij onze cliënt [eiser] BV te [vestigingsplaats] is er abusievelijk op 24 oktober jl. een bedrag van Euro € 4.676,65 aan Mediavisie Web BV – Bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] – overgemaakt met factuurnummer [nummer 1]. Op 14 november jl. heb ik telefonisch contact gehad met uw collega/werknemer [naam] en deze heeft bevestigd dat het bedrag door Mediavisie Web BV is ontvangen. En zou het met u kortsluiten voor terugbetaling. Mijn telefoonnummer en email adres is aan [naam] doorgegeven. Heden middag heb ik weer gebeld echter krijg ik geen gehoor. Tot op heden is genoemd bedrag nog steeds niet overgemaakt aan [eiser] BV. Volledigheidshalve doe ik u het bankrekeningnummer van onze cliënt toekomen -[rekeningnummer 2]. Nogmaals verzoek ik u om het bedrag z.s.m. over te maken. (…).
2.4.
Op 26 november 2024 en op 2 december 2024 heeft [eiser] Mediavisie nogmaals per e-mail verzocht om het bedrag over te maken.
2.5.
Op 9 december 2024 heeft (de boekhouder van) [eiser] Mediavisie een brief gestuurd waarin zij het volgende schreef:

(…). Wij stellen u namens onze cliënt [eiser] hierbij dan ook nadrukkelijk in gebreke. U heeft alsnog de gelegenheid om zonder kostenverhoging het bedrag Euro 4.676,65 binnen 10 dagen na ontvangst van deze brief te voldoen op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. [eiser] te [vestigingsplaats]. De termijn van 10 dagen gaat in 2 dagen na dagtekening van deze brief. Daarna geven wij opdracht aan ons incassobureau om de vordering te gaan incasseren. U bent daarbij volgens de wet buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd conform Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten per 1 juli 2012. (…).
2.6.
Op 30 december 2024 heeft Mediavisie als volgt per e-mail gereageerd op de brief van [eiser]:

(…). Wij hebben het ontvangen bedrag verrekend met onze openstaande uren zie bijlage. (…).
Aan deze e-mail was een bijlage toegevoegd met een overzicht van de door Mediavisie ten behoeve van [eiser] bestede uren.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Mediavisie tot betaling van € 4.676,65, vermeerderd met rente en kosten, op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW Pro).
3.2.
Mediavisie voert verweer. Mediavisie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].
3.3.
Mediavisie voert het volgende aan. De overeenkomst van opdracht is op
21 augustus 2023 geëindigd, maar niet alle door haar bestede uren zijn betaald. De betaling van € 4.676,65 door [eiser] is een vergoeding voor de bestede, niet betaalde uren en is daarom niet onverschuldigd. Mediavisie doet daarnaast een beroep op verrekening dan wel opschorting.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Onverschuldigde betaling
4.1.
In artikel 6:203, eerste lid, BW staat dat degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, gerechtigd is dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Als de onverschuldigde betaling een geldsom betreft, bepaalt artikel 6:203, tweede lid, BW dat de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag strekt.
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat [eiser] een bedrag van € 4.676,65 aan Mediavisie heeft betaald, door dit bedrag over te maken op haar bankrekening. Mediavisie betwist dat [eiser] het bedrag zonder recht of titel naar haar heeft overgemaakt. Mediavisie voert daartoe aan dat er in 2023 werkzaamheden door haar zijn verricht die onbetaald zijn gebleven. Zij verwijst daarbij naar een door haar overgelegd overzicht van bestede uren.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat Mediavisie de stellingen van [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het heeft er alle schijn van dat het bedrag per ongeluk door [eiser] is overgemaakt aan Mediavisie. Alleen uit de omschrijving van de overboeking blijkt al dat [eiser] de bedoeling heeft gehad om een factuur met factuurnummer [nummer 2] te betalen. Daarnaast blijkt uit het door Mediavisie overgelegde overzicht dat zij tot en met 31 juli 2023 werkzaamheden ten behoeve van [eiser] heeft verricht. Mediavisie heeft nadat de samenwerking is geëindigd geen (eind)factuur gestuurd. Ook heeft zij in het afgelopen anderhalf jaar geen brieven gestuurd waaruit blijkt dat zij meent nog recht te hebben op betaling van de door haar bestede uren. Mediavisie heeft ook niet inzichtelijk gemaakt welk uurtarief zij hanteert, hoeveel van de door haar bestede uren onbetaald zijn gebleven en welk bedrag daarbij hoort.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat Mediavisie haar stelling dat zij nog recht heeft op betaling van de door haar bestede uren, in het licht van de gemotiveerde betwisting door Mediavisie, onvoldoende heeft onderbouwd. Daarmee is komen vast te staan dat [eiser] het bedrag van € 4.676,65 aan Mediavisie zonder recht op titel heeft overgemaakt. [eiser] kan dit bedrag daarom als zijnde onverschuldigd betaald terug vorderen. De vordering tot betaling van € 4.676,65 zal daarom worden toegewezen.
Verrekening en/of opschorting
4.5.
In het voorgaande heeft de kantonrechter toegelicht dat Mediavisie haar stelling dat zij recht heeft op betaling van de door haar bestede uren onvoldoende heeft onderbouwd. De kantonrechter is daarom van oordeel dat haar ook geen beroep op verrekening of opschorting toekomt. Het beroep op verrekening en/of opschorting zal daarom worden afgewezen.
Wettelijke (handels)rente
4.6.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom is toewijsbaar met ingang van de datum van dagvaarding. Er is namelijk niet toegelicht waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is.
4.7.
[eiser] vordert betaling van de hoofdsom vermeerderd met wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen.
Buitengerechtelijk incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Mediavisie heeft dat ook niet betwist. [eiser] B.V. heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 717,12 worden toegewezen.
Proceskosten
4.9.
Mediavisie is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
140,08
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.496,08

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Mediavisie om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.676,65, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Mediavisie om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 717,12 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt Mediavisie in de proceskosten van € 1.496,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Mediavisie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2025.