Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De vordering van de officier van justitie
2.De procedure
3.De beoordeling van de vordering
deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet;
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
.Sinds 26 mei 2020 was veroordeelde bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 5] BV. Een dochteronderneming van deze rechtspersoon is [bedrijf 6] BV, die is opgericht op 14 juli 2020. Op naam van deze rechtspersoon is de loods aan [adres 2] gehuurd. [3] Uit de bewijsmiddelen volgt dat deze loods door de criminele organisatie is gebruikt als bouwlocatie van hockers en als retourlocatie voor lege hockers uit Ierland, Zweden en Denemarken.
4.De wettelijke voorschriften
5.De beslissing
- stelt het bedrag waarop het door veroordeelde
- legt veroordeelde de verplichting op tot
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op