ECLI:NL:RBOVE:2025:4133
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechter onbevoegd bij verzoek aan minister voor naleving EU-richtlijn door Duitsland
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 21 februari 2025, waarin de bestuursrechter zich kennelijk onbevoegd verklaarde. Opposant had de minister van Justitie en Veiligheid verzocht om te interveniëren bij de gebrekkige naleving door Duitsland van Richtlijn 2002/8/EG betreffende grensoverschrijdende geschillen.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek van 11 juli 2024 geen aanvraag was in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de minister niet bevoegd is tot het nemen van een publiekrechtelijke rechtshandeling om Duitsland te dwingen de richtlijn na te leven. Opposant voerde aan dat de minister wel bevoegd zou zijn op grond van de Wet op de rechtsbijstand, maar de rechtbank verwierp dit standpunt.
De rechtbank bevestigt dat de minister geen besluit kan nemen om Duitsland aan te spreken op de naleving van de richtlijn en dat de reactie van de minister geen besluit in de zin van de Awb oplevert. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de rechtbank blijft kennelijk onbevoegd.