Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2025:4187

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 juni 2025
Publicatiedatum
26 juni 2025
Zaaknummer
AK_25_1597
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening zorg op grond van de Wet langdurige zorg

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke op 20 maart 2025 is afgewezen door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt en tevens is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om onmiddellijke toegang tot zorg te verkrijgen.

De voorzieningenrechter heeft de persoonlijke situatie van verzoekster betrokken in de beoordeling. Verzoekster is bedlegerig en afhankelijk van tweemaal daagse verpleegkundige hulp. Desondanks heeft zij geen onderbouwing geleverd waarom onmiddellijke voorziening noodzakelijk is, ondanks een verzoek daartoe van de voorzieningenrechter.

De voorzieningenrechter stelt dat een voorlopige voorziening een acute spoedeisendheid vereist, welke in deze zaak niet is aangetoond. Er is geen sprake van een onomkeerbare situatie of acute nood. Bovendien kan verzoekster mogelijk aanspraak maken op zorg uit andere domeinen zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of de Zorgverzekeringswet.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1597

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster,

en

de raad van bestuur van de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de van de aanvraag van verzoekster om haar in aanmerking te brengen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Verzoekster is het hier niet mee eens en zij heeft tegen het besluit van 20 maart 2025 waarin de Wlz-aanvraag is afwezen, bezwaar gemaakt. Zij verzoekt ook om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.2
Verzoekster heeft in het verzoek om een voorlopige voorziening haar persoonlijke situatie toegelicht. Zij geeft aan dat door het uitblijven van een beslissing op bezwaar haar de toeging tot de noodzakelijke zorg wordt ontzegd en dat dit ernstige risico met zich brengt voor haar gezondheid en welzijn. Verzoekster is bedlegerig en zij is volledig afhankelijk van hulp van derden. Vanwege haar aandoeningen krijgt verzoekster tweemaal per dag verpleegkundige hulp.
2.3
In de brief van 17 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter verzoekster verzocht om uiterlijk binnen één week te onderbouwen waarom hij onmiddellijk moet ingrijpen.
Van verzoekster is geen onderbouwing ontvangen. Ook heeft verzoekster niet om uitstel gevraagd.
2.3
De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een acute, dus actuele, spoedeisendheid. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of als er geen acute noodsituatie is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in wat verzoekster heeft aangevoerd geen spoedeisend belang besloten ligt. Niet is onderbouwd dat verzoekster geheel verstoken is van noodzakelijk zorg en dat op dit moment sprake is van een acute noodsituatie die maakt dat onmiddellijk moet worden ingegrepen. Daarnaast is van betekenis dat verzoekster mogelijk een beroep kan doen op zorg uit een ander zorgdomein, zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en/of de Zorgverzekeringswet.
De voorzieningenrechter heeft ook overigens geen aanwijzingen dat onomkeerbare gevolgen zullen intreden, als de behandeling van de bezwaarprocedure afgewacht wordt.

Conclusie en gevolgen

3. Er is geen spoedeisend belang om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.