Veroordeelde is door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. In de ontnemingsprocedure heeft de officier van justitie gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen en betaling daarvan te gelasten.
De rechtbank heeft op basis van wettige bewijsmiddelen, waaronder een ontnemingsrapport en bankrekeninganalyses, vastgesteld dat veroordeelde een bedrag van €41.862 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Dit bedrag omvat onder meer katvangersvergoedingen voor het op naam hebben van rechtspersonen en vergoedingen voor werkzaamheden bij drugstransporten naar Denemarken en Zweden.
De verdediging voerde onder meer aan dat de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak in de strafzaak en dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt hoe vaak en of veroordeelde beschikkingsmacht had over de gelden. De rechtbank verwierp deze verweren en oordeelde dat de draagkrachtverweren te vroeg zijn om in deze fase te beoordelen.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op om het bedrag van €41.862 aan de Staat te betalen en constateerde een schending van de redelijke termijn, welke reeds in de strafzaak was verdisconteerd. De ontnemingsmaatregel is opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.