Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsoverwegingen
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.
5.De strafbaarheid van verdachte
6.De strafmotivering
core businesshad. De criminele organisatie fabriceerde zelf hockers (poefjes) die waren voorzien van een robuust sluitingssysteem, dat alleen met een bijbehorende keycard kon worden geopend. Zulke hockers, met daarin verdovende middelen, werden in opdracht van door de criminele organisatie gefingeerde ondernemingen op pallets in partijen meegegeven aan nietsvermoedende reguliere transporteurs. Deze transporteurs vervoerden de partijen hockers naar een door de criminele organisatie gehuurde locatie in het buitenland. Leden van de criminele organisatie reisden ondertussen met auto of vliegtuig naar die locatie en namen daar de partijen hockers in ontvangst. De geleegde hockers werden in opdracht van andere door de criminele organisatie gefingeerde ondernemingen terug naar Nederland op transport gezet, om weer afgeleverd te worden op andere locaties van de criminele organisatie. De criminele organisatie is verantwoordelijk voor meer dan honderd transporten van en naar Nederland, waarvan bij vier transporten naar het buitenland, in Oldenzaal, Zwolle, Stockholm en Dublin, partijen hard- en softdrugs zijn onderschept. Ook heeft de criminele organisatie meer dan anderhalf jaar meerdere rechtspersonen op naam van katvangers laten zetten. De criminele organisatie heeft deze bedrijven en vaak kwetsbare katvangers misbruikt om als dekmantel voor de transporten te fungeren.
7.De toegepaste wettelijke voorschriften
8.De beslissing
deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet;
gevangenisstrafvoor de duur van
360 (driehonderdzestig) dagen;
313 (driehonderddertien) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
heft ophet (geschorste) bevel tot
voorlopige hechtenis.