Verzoekster verzocht de rechtbank om de eerdere gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [belanghebbende 1] over haar te vernietigen en het vaderschap van [belanghebbende 2] vast te stellen. Zij baseerde dit verzoek op diverse in eigen beheer uitgevoerde DNA-onderzoeken die tegenstrijdige resultaten opleverden. De rechtbank stelde vast dat verzoekster willens en wetens de eerdere gerechtelijke vaststelling heeft verzocht en daarmee de huidige juridische situatie heeft doen ontstaan.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde DNA-onderzoeken niet op een zorgvuldige en met vereiste waarborgen omklede wijze zijn uitgevoerd. Er was onduidelijkheid over de afname, identificatie en verzending van het DNA-materiaal en de resultaten waren tegenstrijdig, onder meer doordat identieke DNA-profielen werden gepresenteerd die alleen bij een eeneiige tweeling mogelijk zijn. Verzoekster kon hiervoor geen plausibele verklaring geven.
Hoewel de rechtbank verzoekster de mogelijkheid bood een rechtsgeldig DNA-onderzoek te laten uitvoeren, maakte zij kenbaar dit financieel niet te kunnen dragen. De rechtbank kon daardoor niet vaststellen dat [belanghebbende 1] niet de biologische vader is en kwam niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot vernietiging of herroeping van de eerdere beschikking. Het verzoek werd daarom afgewezen.