De rechtbank Overijssel behandelde de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde die schuldig werd bevonden aan mensensmokkel, gepleegd in vereniging met anderen. De zaak betrof de verhuur van een kamer aan een prostituee die €100 per dag betaalde, gedurende 19 dagen.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk €7.250, maar wijzigde dit naar €5.670 na vrijspraak van de veroordeelde voor betrokkenheid bij smokkel op andere adressen. De verdediging stelde dat het voordeel beperkt was tot €1.900, gebaseerd op de huurbetalingen van de prostituee.
De rechtbank nam het bewijs uit het strafdossier en een rapport over het wederrechtelijk verkregen voordeel in overweging. Gezien het ontbreken van bewijs voor betrokkenheid bij smokkel op andere adressen, stelde de rechtbank het voordeel vast op €1.900, gelijk aan de huurinkomsten uit de woning van de veroordeelde.
De rechtbank legde de verplichting op aan de veroordeelde om dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde de duur van de gijzeling voor het geval van niet-betaling op maximaal 38 dagen. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025.