ECLI:NL:RBOVE:2025:4719

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 juli 2025
Publicatiedatum
16 juli 2025
Zaaknummer
11435324 \ CV EXPL 24-2394
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Non-conformiteit van een tweedehands auto en de gevolgen van ontbinding van de koopovereenkomst

In deze zaak heeft partij A een tweedehands auto gekocht van partij B. De kern van het geschil betreft de vraag of de auto gebreken vertoonde die niet aan de overeenkomst beantwoordden, wat zou leiden tot non-conformiteit. Partij A vorderde terugbetaling van het aankoopbedrag van € 7.500,00 en schadevergoeding, terwijl partij B in reconventie stelde dat partij A misbruik van procesrecht had gemaakt. De kantonrechter oordeelde dat de auto inderdaad non-conform was, omdat er gebreken waren die aan normaal gebruik in de weg stonden. De rechter verklaarde de koopovereenkomst op 27 augustus 2024 rechtsgeldig ontbonden en veroordeelde partij B tot terugbetaling van het aankoopbedrag, schadevergoeding en het verstrekken van een vrijwaringsbewijs. De vordering van partij B in reconventie werd afgewezen, omdat de rechter oordeelde dat partij A niet onterecht een rechtszaak had aangespannen. De proceskosten werden toegewezen aan partij A.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11435324 \ CV EXPL 24-2394
Vonnis van 15 juli 2025
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats],
eisende partij in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. S. Yadegari,
tegen
de vennootschap onder firma,
[partij B],
gevestigd te [vestigingsplaats 1],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: VD&P juristen, mr. M. Beuting.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
[partij A] heeft een tweedehands auto van [partij B] gekocht.
Deze zaak gaat in conventie over de vraag of die auto dusdanige gebreken heeft dat deze niet aan de overeenkomst beantwoordt (non-conformiteit) en, als dat het geval is, of [partij A] daarom recht heeft op onder andere (terug)betaling van het aankoopbedrag plus een schadevergoeding.
In reconventie gaat het over de vraag of [partij A] misbruik van procesrecht heeft gemaakt door deze procedure te starten en of hij daarom de daadwerkelijk gemaakte proceskosten van [partij B] moet vergoeden.
1.2.
De kantonrechter wijst de vordering in conventie grotendeels toe en de vordering in reconventie af. Zij zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 november 2024 met producties,
- de conclusie van antwoord van 14 januari 2025 met producties, tevens houdende conclusie van eis in reconventie,
- de akte overleggen producties van [partij B],
- de akte overleggen producties alsmede conclusie van antwoord in reconventie,
- de mondelinge behandeling van 15 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Op 12 februari 2024 heeft [partij A] een auto van [partij B] gekocht voor € 7.500,00 inclusief btw. Het gaat om een Peugeot 308 SW met kenteken [kenteken] uit het bouwjaar 2015. De kilometerstand ten tijde van aflevering was 146.000 km.
3.2.
Op de factuur staat dat de auto is verkocht “
Op handelsbasis zonder garantie akkoord bevonden”.
3.3.
Op 29 mei 2024 heeft [partij A] telefonisch contact opgenomen met [partij B]. Hij heeft toen te kennen gegeven dat zich al enkele storingsmeldingen hadden voorgedaan (die inmiddels waren opgelost) en dat nu het koppelingspedaal bleef hangen.
[partij B] heeft toen aan [partij A] laten weten dat dit zeer waarschijnlijk de koppelingscilinder betreft, dat dit behoort tot normale slijtage en dat een reparatie € 250,00 à € 300,00 zou kosten. [partij B] heeft [partij A] verwezen naar een garage in de buurt van zijn woonplaats en gezegd dat hij contact met haar moest opnemen als de reparatie meer zou kosten dan het door haar genoemde bedrag.
3.4.
[partij A] heeft zich toen gewend tot [bedrijf 1] te [vestigingsplaats 2]. Laatstgenoemde heeft de hoofdkoppelingscilinder vervangen.
3.5.
Op 5 juni 2024 heeft [partij A] aan [partij B] meegedeeld dat de auto moeilijk begon te schakelen. [partij B] heeft [partij A] toen te kennen gegeven dat hij terug moest gaan naar de garage die de reparatie had uitgevoerd.
3.6.
[partij A] heeft de auto vervolgens naar garage [bedrijf 2] te [vestigingsplaats 3] (hierna: [bedrijf 2]) gebracht. In het verslag van [bedrijf 2] van 6 juni 2024 valt het volgende te lezen:
“Diagnose uitlezen storingen
Veel uitgelezen storingen … proberen te wissen, lukt niet 2 x pps vastgelopen…
later wel gelukt
Zit geen olie aan peilstok, moet 5w30 rcp olie op
Advies olie bijvullen en afspraak maken storingen onderzoeken (als terug)
Koppelingscilinder in enschede laten vervangen
Nu kraakt de koppeling in 3 …
Waar in Enschede? Evt. teruggaan, koppeling kraakt nu niet.
Proefrit, blijkt synchromesh 2e en 3e versnelling stuk!! (…)”
3.7.
Op 7 juni 2024 heeft [partij A] een Whatsappbericht naar [partij B] gestuurd met de volgende inhoud:

07-06-2024 13:08 – (…) Goedemiddag, Heb gisteren toch de auto naar de Peugeot dealer gebracht, er waren veel storingen en lastig te resetten en nog meerdere punten.
* De versnellingsbak is niet goed
* De auto verbruikt overmatig olie
* Achterstallig onderhoud bougies helemaal versleten.
Ik laat een rapport maken bij de Peugeot garage.
Ik laat u de uitslag weten. (…)
3.8.
In reactie op een (door [partij B] verwijderd) Whatsappbericht van 8 juni 2024 heeft [partij A] in diverse Whatsappberichten van die datum - onder meer - het volgende aan [partij B] geschreven:
“(…) Ten eerste proberen we iets op een nette manier met jou op te lossen. Ten tweede hebben wij een auto gekocht van € 7.500,00 en niet zoals jij omschrijft van € 5.000,00.
Ten 3e staat ons de toon van jouw bericht niet aan. Wat wordt bedoeld met jij moet wel tegen je verlies kunnen? Wij bieden jou de kans om met een geschikte/eerlijke oplossing te komen. (…)”
[partij B] heeft hierop via Whatsapp - onder meer - als volgt gereageerd:
“(…) Je hebt een auto gekocht van 7500 tegen handelsprijs zonder enige vorm van garantie. Vandaar mijn gedachten om een auto te kopen van 5000 euro. Dan had je reserves voor reparaties.
(…) Definitie van garantie betekent verborgen gebreken bij aankoop aanwezig. En je hebt proefgereden en akkoord gegeven zonder bijzonderheden. (…)
Feit blijft dat je van begin af aan niet met de verkopende partij overleg pleegt, maar je eigen weg gaat. Jij brengt uit eigen initiatief auto naar de dealer zonder overleg met mij. Ipv dat je eerst bij mij komt. Om te bespreken de vervolgprocedure. (…)”
3.9.
Op 16 juli 2024 heeft de gemachtigde van [partij A] [partij B] schriftelijk in gebreke gesteld en het volgende geschreven:
U dient binnen zeven dagen na dagtekening van dit schrijven:
  • Indien cliënt de auto nog onder zich heeft, deze op te halen. U kunt daarvoor een afspraak inplannen bij mij.
  • Vervangend vervoer bij cliënt achterlaten zodat deze beschikt over een gelijkwaardig vervoersmiddel.
  • Het gebrek herstellen (nakoming door u van de overeenkomst).
  • Geen kosten in rekening brengen bij cliënt.
(…)
Als u niet, niet tijdig of niet volledig voldoet aan deze ingebrekestelling wordt deze koop als ontbonden beschouwd vanwege non-conformiteit en dient u de koopsom ad€ 7.500aan cliënt te voldoen en aan hem een vrijwaringsbewijs van deze auto te overleggen.
Tevens worden alsdan nevenvorderingen gevorderd. (…)”
3.10.
[partij B] is - hoewel zij daartoe bij brieven van 26 juli 2024 en 8 augustus 2024 nogmaals is aangeschreven - niet overgegaan tot kosteloos herstel van de auto,
waarna [partij A] op 27 augustus 2024 - onder meer - het volgende aan [partij B] heeft geschreven:
“(…) U bent op 16-07-2024 in gebreke gesteld vanwege de non-conformiteit van de geleverde auto. De non-conformiteit is door u niet, niet tijdig en ook niet kosteloos weggenomen middels herstel. Evenmin heeft u ervoor zorggedragen dat Koper geen ernstige overlast is bekomen, hetgeen (ernstige overlast voor Koper) thans aan de orde is.
De koop wordt ontbonden en u moet de koopsom volledig terugbetalen. De kosten voor het verkrijgen van betaling van de koopsom zijn incassokosten die u ook dient te vergoeden, tenzij u vrijwillig gevolg geeft aan dit schrijven. Tot betaling van u is ontvangen, heeft Koper een absolute noodzaak om zijn geld terug te krijgen en vrijwaring van de auto. Beide zijn verplichtingen die u moet nakomen. (…)”
3.11.
[partij B] is niet akkoord gegaan met de ontbinding van de overeenkomst.
3.12.
Op 9 september 2024 schreef [bedrijf 2] aan [partij B] het volgende e-mailbericht:

Goedemiddag,
Ik begrijp van mijn collega dat jullie informatie zoeken voor bovenstaande auto.
Uitgezonderd dat deze auto 1x bij ons is geweest om olie bij te vullen en 1x om bougies te laten vervangen.
De klant heeft bij ons aangegeven bij het laatste bezoek, dat de koppelingscilinder ergens is vervangen bij een bedrijf in [vestigingsplaats 2].
De v-bak kraakt volgens de klant -> vermoedelijk synchromesch 2de 3de versnelling versleten -> dit zou een gevolg kunnen zijn van te lang door rijden met een defect koppelingscilinder.
Echter aangezien wij geen enkel van deze reparaties hebben uitgevoerd zijn wij geen partij in deze. (…)”

4.Het geschil

in conventie
De vordering
4.1.
[partij A] vordert, samengevat weergegeven, dat de kantonrechter bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Primair:
I. Voor recht verklaart dat de tussen partijen bestaande koopovereenkomst op
27 augustus 2024 rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden en [partij B] veroordeelt de volledige koopsom ad € 7.500,00 aan [partij A] terug te betalen,
Subsidiair:
II. De tussen partijen bestaande koopovereenkomst alsnog ontbindt op grond van non-conformiteit dan wel vernietigt op grond van dwaling en [partij B] veroordeelt tot betaling van de volledige koopsom ad € 7.500,00,
Meer subsidiair:
III. [partij B] veroordeelt om de auto voor eigen rekening op te (laten) halen en de gebreken kosteloos te herstellen alsmede om voor de duur van de herstelperiode een vervangende auto aan [partij A] te verschaffen,
Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:
IV. [partij B] veroordeelt tot (terug)betaling van € 7.500,00, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 907,50 en met de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van verzuim,
V. [partij B] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van
€ 1.316,32, bestaande uit onder meer onderzoekskosten, motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies, het totaalbedrag vermeerderd met € 197,45 aan buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van verzuim,
VI. [partij B] veroordeelt om de auto onmiddellijk te vrijwaren op straffe van (verbeurte van) een dwangsom van € 500,00 per (gedeelte van een) dag dat verkoper geen deugdelijk vrijwaringsbewijs verschaft, een en ander tot een maximum van € 20.000,00,
VII. [partij B] veroordeelt in de proceskosten (inclusief nakosten).
4.2.
[partij A] legt primair aan zijn vordering(en) ten grondslag dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt (non-conform is), omdat sprake is van gebreken die aan een normaal gebruik van de auto in de weg staan. Hij stelt zich op het standpunt dat hij, nu
[partij B] niet is overgegaan tot kosteloos herstel van die gebreken, de overeenkomst op grond van artikel 7:22 lid 1 onder a BW mocht ontbinden en dat hij dat bij brief van 27 augustus 2024 ook heeft gedaan. Volgens [partij A] moet [partij B] op grond van de wet ook de door hem geleden schade vergoeden.
Subsidiair stelt [partij A] zich op het standpunt dat de met [partij B] gesloten koopovereenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen, zodat deze moet worden vernietigd.
Het verweer
4.3.
[partij B] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen. [partij B] stelt zich, samengevat weergegeven, op het standpunt dat geen sprake is van non-conformiteit dan wel dwaling.
in reconventie
De vordering
4.4.
[partij B] vordert primair - samengevat weergegeven - dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [partij A] misbruik heeft gemaakt van het procesrecht en aansprakelijk is voor de door [partij B] geleden schade alsmede [partij A] veroordeelt tot betaling aan [partij B] van de volledige door [partij B] gemaakte proceskosten, tot aan de conclusie van eis in reconventie berekend op een bedrag van € 3.420,00, te vermeerderen met de nadien nog te maken kosten en rente.
Subsidiair vordert [partij B] veroordeling van [partij A] in de (forfaitair vast te stellen) proceskosten en de nakosten, vermeerderd met rente.
[partij B] legt aan de vordering ten grondslag dat sprake is van onrechtmatig handelen door [partij A], nu [partij A] een procedure is gestart op basis van feiten en omstandigheden waarvan hij wist dat deze onjuist waren. Verder verwijt zij [partij A] dat hij haar niet in de gelegenheid heeft gesteld de (gestelde) gebreken te herstellen en vervolgens een (naar haar mening) onnodige en kostbare procedure te starten.
Het verweer
4.5.
[partij A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij B]. Volgens hem is geen sprake van misbruik van procesrecht. Subsidiair stelt hij zich - samengevat weergegeven - op het standpunt dat de opgevoerde proceskosten niet (voldoende) zijn onderbouwd.
In conventie en reconventie
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

In conventie
Er is sprake van consumentenkoop
5.1.
[partij A] is een natuurlijk persoon die bij de koop van de auto als consument handelde. [partij A] heeft de overeenkomst gesloten met [partij B]; een handelaar. Dit betekent dat de koopovereenkomst die partijen hebben gesloten, wordt gekwalificeerd als een consumentenkoop als bedoeld in artikel 7:5 Burgerlijk Wetboek (BW).
Een consumentenkoop brengt met zich dat er bijzondere wettelijke bepalingen gelden. Van deze wettelijke bepalingen kan niet ten nadele van de consument-koper worden afgeweken. Ook kunnen de rechten en vorderingen die de wet aan de consument-koper ter zake van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van de verkoper toekent niet worden beperkt of uitgesloten.
Is sprake van non-conformiteit?
5.2.
De vraag die voorligt is of er aan de zijde van [partij B] sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst. Voor de beantwoording van deze vraag moet vastgesteld worden of de afgeleverde zaak (de auto) al dan niet beantwoordt aan de koopovereenkomst, oftewel: of sprake is van (non)-conformiteit in de zin van artikel 7:17 lid 1 BW.
het wettelijk kader
5.3.
Op grond van artikel 7:17 lid 1 BW moet de auto beantwoorden aan de koopovereenkomst.
Uit lid 2 volgt dat dit inhoudt dat de auto de eigenschappen moet bezitten die [partij A] - mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen van de verkoper over de zaak heeft gedaan - mocht verwachten. [partij A] mag in beginsel verwachten dat de auto de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan (te weten: een veilige deelname aan het verkeer) nodig zijn en waaraan hij niet hoefde te twijfelen.
[partij A] kan zich er echter niet op beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer hem dit ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was
of hij hiermee redelijkerwijs bekend kon zijn. Dit volgt uit artikel 7:17 lid 5 BW.
Op grond van artikel 7:18a lid 2 BW geldt als hoofdregel dat bij consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord indien het gebrek zich binnen één jaar na aflevering openbaart. Gedurende dit eerste jaar is het de verantwoordelijkheid van de verkoper om het tegendeel te bewijzen.
inhoudelijke beoordeling
5.4.
[partij A] stelt dat de auto niet beschikt over de eigenschappen heeft die hij ervan mocht verwachten (en dus non-conform is). Volgens hem heeft de auto de volgende gebreken:
versleten bougies;
bovenmatig olieverbruik;
de versnellingsbak is defect als gevolg van een defect aan het koppelingspedaal.
Volgens [partij A] waren de gebreken bij aflevering van de auto al (in oorsprong) aanwezig.
[partij A] merkt in dat verband op dat hij al vrij snel na aankoop storingsmeldingen kreeg,
die hij herhaaldelijk heeft laten uitlezen. Verder voert hij aan dat hij de hoofdkoppelings-cilinder heeft moeten laten vervangen en dat [bedrijf 2] op 6 juni 2024 bougies heeft vervangen en olie heeft bijgevuld.
5.5.
[partij B] bestrijdt dat sprake is van non-conformiteit en voert in dat verband het volgende aan.
[partij A] mocht, gelet op de leeftijd van de auto (9 jaar), de aankoopprijs en de hoge kilometerstand geen hoge verwachtingen hebben van de staat van de auto. Hij moest er bij aankoop van de tweedehands auto rekening mee houden dat deze bij gebruik aan slijtage onderhevig is en dat de kans op gebreken bij een gebruikte auto groter is.
[partij A] heeft voor aankoop een proefrit gemaakt en de auto akkoord bevonden. Hij heeft de auto op handelsbasis en zonder garantie gekocht en heeft de auto daarmee geaccepteerd in de staat zoals deze op dat moment was.
Op [partij A] rustte een verzwaarde onderzoeksplicht, nu hij een korting van € 500,00 heeft bedongen en bovendien geen afleverpakket wilde afnemen. Verder kwamen uit de kentekencheck twee negatieve punten naar voren, namelijk de leeftijd van de auto en het hoge aantal vorige eigenaren.
De door [partij A] genoemde gebreken betreffen voornamelijk normale slijtage- en onderhoudskwesties, die niet maken dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt.
Met betrekking tot de gestelde gebreken aan de koppeling/versnellingsbak kan [partij A]
[partij B] sowieso niet aanspreken. [partij A] heeft er namelijk voor gekozen de koppelingscilinder te laten vervangen door een andere garage. Als er daarna nog problemen zijn, moet [partij A] zich tot die andere garage wenden en niet tot [partij B].
Tijdens aflevering van de auto aan [partij A] had de auto geen gebreken. [partij A] kon veilig met de auto aan het verkeer deelnemen. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat de auto kort voor de verkoop nog APK was goedgekeurd.
Uit het rapport van [bedrijf 2] van 6 juni 2024 volgt dat [bedrijf 2] toen geen gebreken heeft geconstateerd en alleen onderhoudswerkzaamheden heeft verricht.
[partij A] heeft ook 3.806 kilometer met de auto gereden. Als er al sprake is van een gebrek aan het koppelingspedaal en/of de versnellingsbak, dan is dat gebrek/zijn die gebreken nadien door toedoen van [partij A] ontstaan.
5.6.
De kantonrechter zal hierna beoordelen in hoeverre de door [partij A] genoemde gebreken kunnen worden vastgesteld en zo ja, of deze gebreken non-conformiteit opleveren en of [partij A] de overeenkomst als gevolg daarvan gerechtvaardigd heeft kunnen ontbinden.
De kantonrechter stelt in dat verband voorop dat de Hoge Raad heeft beslist dat, ingeval een tweedehands auto wordt gekocht om daarmee (naar de verkoper bekend is) aan het verkeer deel te nemen, als regel moet worden aangenomen dat de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst, indien als gevolg van een daaraan klevend gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden ontdekt en hersteld, gebruik van de auto gevaar voor de verkeers-veiligheid zou opleveren (HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1338). De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat uit de hiervoor genoemde maatstaf niet het omgekeerde volgt in die zin dat, ingeval een auto niet zodanige gebreken heeft dat gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren, daaruit zou volgen dat de auto wel aan de overeenkomst beantwoordt, ook indien deze nog andere gebreken heeft.
Bij een gebruikte auto mag de koper verder verwachten dat de auto in een staat is die bij de ouderdom, het aantal gereden kilometers en de onderhoudstoestand past. Daarmee is niet gegeven dat de koper geen rekening hoefde te houden met reparaties. Dat betreft echter niet ernstige of uitzonderlijke gebreken die zich binnen relatief korte tijd voordoen, in aanmerking genomen het na de koop gereden aantal kilometers, en niet passen bij de kenmerken van de auto, waaronder de ouderdom, de kilometerstand en de onderhoudshistorie.
Is sprake van gebreken die aan een normaal gebruik van de auto in de weg staan?
5.7.
De stelplicht en, in geval van een gemotiveerde betwisting, ook de bewijslast van de (beweerde) gebreken rusten, krachtens de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), op [partij A].
5.8.
Partijen hebben over en weer deskundigen ingeschakeld en hun standpunten over het al dan niet bestaan van gebreken met rapporten onderbouwd. Zij bestrijden de inhoud en conclusies van elkaars rapportages en betitelen deze als niet onafhankelijk en partijdig.
Nu de rapporten eenzijdig (dat wil zeggen: zonder dat de andere partij daarbij is betrokken) zijn opgesteld en de beide deskundigen niet tot een eenduidig beeld komen, zal de kantonrechter de inhoud van deze rapporten niet meewegen in haar oordeel.
5.9.
kapotte bougies?
[partij A] stelt dat sprake was van kapotte bougies, die hij inmiddels heeft laten vervangen.
[partij B] bestrijdt niet dat sprake was van kapotte/versleten bougies. Zij stelt zich echter op het standpunt dat bougies onderdelen zijn die aan slijtage onderhevig zijn en dat het vervangen van bougies normaal onderhoud betreft. Volgens [partij B] is geen sprake van een gebrek dat non-conformiteit oplevert.
De kantonrechter overweegt als volgt:
Vaststaat dat [bedrijf 2] op 6 juni 2024 de bougies heeft vervangen. De kantonrechter volgt [partij B] in haar standpunt dat sprake is van slijtage en normaal onderhoud en dat enkel versleten bougies geen non-conformiteit kunnen opleveren.
5.10.
bovenmatig olieverbruik?
[partij A] stelt zich op het standpunt dat de auto bovenmatig olie verbruikt.
Hij verwijst in dat verband naar het door hem overgelegde - en door [partij B] bestreden -deskundigenrapport.
[partij B] bestrijdt dat sprake is van bovenmatig olieverbruik. Zij brengt in dat verband naar voren dat de auto is geleverd zonder afleveringsbeurt, zodat de olie voor aflevering niet is bijgevuld of ververst. Zij wijst erop dat uit de in het verslag van [bedrijf 2] genoemde kilometerstand volgt dat [partij A] na aflevering 3.806 kilometer met de auto heeft gereden en stelt dat het - voor dit type auto - niet ongebruikelijk is dat de olie daarna weer moest worden bijgevuld. Volgens Een Post blijkt nergens uit dat sprake is van bovenmatig olieverbruik. Zij voert in dat verband aan dat in het rapport van [bedrijf 2] alleen valt te lezen dat 2 liter olie is bijgevuld. Verder voert [partij B] aan dat de conclusies van de door [partij A] ingeschakelde deskundige niet juist kunnen zijn, omdat bovenmatig olieverbruik alleen kan worden vastgesteld door gedurende een langere periode met de auto te rijden, terwijl die deskundige de auto op een avond op straat heeft bekeken. [partij B] verwijst in dat verband naar de rapportage van de door haar ingeschakelde deskundige.
5.11.
Zoals hiervoor vermeld, zal de kantonrechter bij de beoordeling van dit geschil geen acht slaan op de inhoud van de (tegenstrijdige en eenzijdig opgestelde) rapporten van de partijdeskundigen.
Zoals met partijen gecommuniceerd, heeft de kantonrechter overwogen om op dit punt een onafhankelijk deskundigenonderzoek te gelasten. De beoogde deskundige heeft echter aan de kantonrechter te kennen gegeven dat een onderzoek naar bovenmatig olieverbruik alleen kan plaatsvinden als er langdurig met de auto kan worden proefgereden. Nu [partij A] onweersproken heeft gesteld dat er niet meer met de auto te rijden is, heeft de deskundige aan de kantonrechter laten weten dat het vermeende bovenmatige olieverbruik niet meer feitelijk te bepalen is. De kantonrechter heeft daarom besloten om alsnog af te zien van haar voornemen een deskundigenonderzoek te gelasten. In dat verband speelt ook een rol dat de kantonrechter, zoals hierna zal worden toegelicht, van oordeel is dat kan worden vastgesteld dat sprake is van een defect koppelingspedaal en een defecte versnellingsbak en dat die gebreken non-conformiteit opleveren.
5.12.
defect koppelingspedaal / defecte versnellingsbak
[partij A] heeft onbestreden gesteld dat sprake is van een defect koppelingspedaal en een defecte versnellingsbak, als gevolg waarvan hij helemaal niet meer met de auto kan rijden.
Gezien het voorgaande kan naar het oordeel van de kantonrechter worden vastgesteld dat sprake is van een serieus gebrek dat aan normaal gebruik van de auto in de weg staat.
Waren die gebreken ten tijde van. aflevering aanwezig of zijn deze later door toedoen van [partij A] ontstaan?
5.13.
[partij A] stelt zich op het standpunt dat (de oorzaak van) het gebrek ten tijde van aflevering van de auto al aanwezig was.
[partij B] bestrijdt dat het gebrek ten tijde van aflevering al aanwezig was.
Zij voert in dat verband aan dat [bedrijf 2] heeft verklaard dat zij tijdens het rijden merkte dat synchronisch 2e en 3e versnelling kapot zijn, wat volgens [bedrijf 2] het gevolg is van een defecte koppelingscilinder. [partij B] stelt zich op het standpunt dat [partij A] hiermee te lang heeft doorgereden.
5.14.
bewijsvermoeden artikel 7:18a lid 2 BW
Vooropgesteld zij dat de kantonrechter [partij B] niet volgt in haar standpunt dat het bewijsvermoeden in dit geval, gezien de aard van de vermeende gebreken in relatie tot de ouderdom van de auto, opzij moet worden gezet.
Tussen partijen is niet in geschil dat de defecte koppelingscilinder en de defecte versnellingsbak binnen een jaar na aankoop zijn ontdekt. Dit houdt in dat wordt vermoed dat de auto bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. [partij B] zal dit vermoeden moeten weerleggen, door aan te tonen dat dit gebrek het gevolg is van of zijn oorsprong vindt in een handelen of nalaten dat dateert van na die aflevering. Het zaaien van zodanige twijfel dat het vermoeden onhoudbaar is (tegenbewijs), is daartoe niet voldoende, nodig is dat [partij B] bewijs levert van het tegendeel.
5.15.
[partij B] heeft zich er in dit verband op beroepen dat de auto kort voor de aankoop nog APK goed gekeurd was en dat [partij A] na aankoop vier maanden lang zonder problemen met de auto heeft gereden. Verder heeft zij verwezen naar een e-mailbericht van [bedrijf 2] van 9 september 2024, zoals hiervoor geciteerd in 3.12.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij B] onvoldoende heeft gesteld en aangetoond dat de gebreken niet aanwezig waren bij de aflevering van de auto.
Zij overweegt in dat verband dat, de omstandigheid dat [partij A] vier maanden met de auto heeft kunnen rijden, niet uitsluit dat er op enig moment gebreken aan het licht zijn gekomen die bij aankoop al (in oorsprong) aanwezig waren. In dat kader is van belang dat [partij A] onbestreden heeft gesteld dat hij vrij snel na aankoop al storingsmeldingen kreeg en dat deze zich bleven herhalen. Verder wordt bij een Apk-keuring aan de hand van een (beperkt) aantal punten beoordeeld of de auto voldoende veilig is om aan het verkeer deel te nemen. Het is een momentopname en niet uitgesloten is dat er, zeker als sprake is van een oude auto, op een later moment alsnog gebreken aan het licht komen die in oorsprong al langere tijd aanwezig waren.
Ook op basis van het e-mailbericht van [bedrijf 2] kan niet zonder meer worden vastgesteld dat het gebrek ten tijde van aflevering van de auto nog niet (in oorsprong) aanwezig was.
Nu [partij B] op dit punt geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
Kan [partij A] zich op de non-conformiteit beroepen?
5.16.
[partij B] heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat [partij A] haar niet op grond van non-conformiteit kan aanspreken, omdat [partij A] de auto voor herstel (het vervangen van de koppelingscilinder) naar een andere garage heeft gebracht. Volgens [partij B] moet hij die andere garage aanspreken.
De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij, nu [partij B] zelf erkent dat zij [partij A] heeft geadviseerd om naar een garage in de buurt te gaan voor reparatie. Daarmee heeft zij ingestemd met herstel door een derde. Als de stelling van [partij B] zou worden gevolgd, zou het voor een autohandelaar wel heel makkelijk worden om zich te vrijwaren van aansprakelijkheid voor eventuele gebreken. In die situatie zou de consument immers door het enkele advies van de handelaar om de reparatie door een derde te laten uitvoeren ten opzichte van de handelaar “rechteloos” worden.
5.17.
Verder heeft [partij B] zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat [partij A] geen beroep op non-conformiteit kan doen, omdat [partij A] de auto op handelsbasis zonder garantie heeft gekocht. Ook roept de bedongen korting, in combinatie met de uitsluiting van garantie, volgens [partij B] een verzwaarde onderzoeksplicht in het leven voor [partij A] en daaraan heeft [partij A] volgens [partij B] niet voldaan.
5.18.
uitsluiting van garantie
De kantonrechter stelt voorop dat [partij B] zich er niet achter kan verschuilen dat geen garantie is overeengekomen. Ingevolge artikel 7:6 BW kan van de bepalingen die betrekking hebben op de non-conformiteit immers niet ten nadele van de consument-koper worden afgeweken en kunnen de rechten en vorderingen die de wet aan de consument-koper ter zake van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van de verkoper toekent niet worden beperkt of uitgesloten.
heeft [partij A] zijn onderzoeksplicht verzaakt?
5.19.
[partij A] stelt zich op het standpunt dat er voor hem geen enkele reden was om te twijfelen aan de staat van de auto. Hij voert aan dat hij de auto voor aankoop goed heeft bekeken en tijdens de proefrit niets alarmerends heeft gemerkt. Verder beroept hij zich erop dat [partij B] ten tijde van de verkoop desgevraagd heeft gezegd dat de auto in goede staat verkeerde en dat hij ook een marktconforme prijs voor de auto heeft betaald. [partij A] bestrijdt dat een korting is overeengekomen, volgens hem heeft hij gewoon de vraagprijs betaald.
5.20.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan [partij B] zich er niet met succes op beroepen dat [partij A] zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt.
[partij A] heeft de auto, als consument, gekocht bij een professionele partij en mag er dus in beginsel vanuit gaan dat de auto geen gebreken vertoont die aan een normaal gebruik daarvan in de weg staan. Als wel sprake zou zijn van gebreken, dan rust op de professionele verkoper de verplichting om daarvan mededeling te doen aan de koper. Gesteld noch gebleken is dat [partij B] dergelijke mededelingen heeft gedaan.
Verder heeft [partij A] onbestreden gesteld dat hij tijdens de proefrit geen bijzonderheden heeft waargenomen.
Anders dan door [partij B] is betoogd, is de kantonrechter van oordeel dat de omstandigheid dat is afgezien van een afleverbeurt niet leidt tot een verzwaarde onderzoeksplicht. Een afleverbeurt heeft als doel een aangekochte auto afleveringsklaar te maken en niet dat bestaande gebreken worden hersteld. Verder blijkt uit niets dat een korting is bedongen, nog daargelaten dat een vermeende korting van € 500,00 niet dusdanig is dat dit moet leiden tot een verzwaring van de onderzoeksplicht. Ook de bij de kentekencheck vermelde opmerkingen kunnen daartoe niet leiden, nu [partij A] onbestreden heeft gesteld dat hij de kentekencheck pas later, ter voorbereiding van de procedure en niet al voor het sluiten van de koop, heeft gedaan.
5.21.
Uit het voorgaande volgt dat er op [partij A] geen (nadere) onderzoeksplicht rustte die aan een beroep op non-conformiteit in de weg staat. [partij A] kan zich er ten opzichte van [partij B] dus op beroepen dat de auto, vanwege de gebreken aan de koppelingscilinder en de versnellingsbak, niet beantwoordt aan de overeenkomst.
Mocht [partij A] de koopovereenkomst ontbinden?
5.22.
De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat de door [partij B] aan [partij A] geleverde auto niet beantwoordt aan de overeenkomst, zodat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
5.23.
Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van één van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
Omdat de overeenkomst tussen partijen een consumentenkoop betreft, zijn de artikelen
7:21 BW en 7:22 BW ook van toepassing. Artikel 7:21 BW bepaalt dat de koper onder meer herstel van de afgeleverde zaak kan eisen, mits de verkoper hieraan redelijkerwijs kan voldoen. Op grond van artikel 7:22 BW heeft de koper, indien het afgeleverde niet aan de overeenkomst beantwoordt, verder de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat wanneer herstel onmogelijk is of van de verkoper niet gevergd kan worden dan wel de verkoper is tekortgeschoten in een verplichting om binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper te herstellen.
Redelijke mogelijkheid tot herstel geboden?
5.24.
Gelet op hetgeen hiervoor is vermeld, ligt allereerst de vraag voor of [partij A]
[partij B] in de gelegenheid heeft gesteld om de auto te repareren.
[partij A] stelt dat hij [partij B] herhaaldelijk heeft verzocht de gebreken te herstellen, maar dat [partij B] dat niet wilde. [partij B] stelt daarentegen (subsidiair) dat [partij A] haar geen gelegenheid heeft geboden om tot herstel over te gaan, zodat ontbinding van de koopovereenkomst niet aan de orde kan zijn.
5.25.
De kantonrechter leest het Whatsappbericht van [partij A] van 7 juni 2024 zo dat [partij A] [partij B] de gelegenheid heeft gegeven om tot herstel over te gaan.
Uit de e-mailberichten van 8 juni 2024 volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat
[partij B] zich daartoe niet bereidwillig heeft getoond. Ook daarna, bij brief van 16 juli 2024, heeft de gemachtigde van [partij A] nogmaals de gelegenheid tot herstel geboden. Uit niets blijkt dat [partij B] zich in reactie op die verzoeken daadwerkelijk bereid heeft getoond om tot herstel van de gebreken over te gaan. De kantonrechter oordeelt dan ook dat [partij A] gerechtigd was de koopovereenkomst bij brief van 27 augustus 2024 (buitengerechtelijk) te ontbinden. Zij overweegt in dat verband nog dat de gestelde gebreken niet van geringe betekenis zijn.
De gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.
Gevolgen van de ontbinding
5.26.
Indien een wederkerige overeenkomst - zoals in dit geval - met recht wordt ontbonden, ontstaan voor de betrokken partijen, voor zover de overeenkomst al is nagekomen, verbintenissen tot ongedaan making van de reeds door hen ontvangen prestatie(s). Dat staat in artikel 6:271 BW.
[partij B] moet de koopsom van de auto terugbetalen en een vrijwaringsbewijs verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom
5.27.
Toegepast op deze zaak betekent dit dat [partij A] recht heeft op terugbetaling van de koopsom en [partij B] aanspraak kan maken op terug levering van de door haar geleverde auto.
[partij B] moet de koopsom van € 7.500,00 aan [partij A] terugbetalen.
De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment waarop de schuldenaar (in dit geval [partij B]) ter zake van de nakoming van de verbintenis in verzuim is met de nakoming van zijn verbintenis. Artikel 6:82 BW bepaalt dat verzuim intreedt wanneer een ingebrekestelling is uitgebracht en de daarin gestelde termijn is verlopen zonder dat de schuldenaar is nagekomen. [partij A] heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat, en per wanneer, [partij B] met de (terug)betaling van de koopsom in verzuim is.
De gevorderde wettelijke rente over de koopsom zal daarom worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding (29 november 2024).
Waar het gaat om de terug levering van de auto overweegt de kantonrechter dat het in de gegeven omstandigheden, waarin helemaal niet meer met de auto kan worden gereden en deze op transport zal moeten worden gezet, van [partij B] mag worden verwacht dat
zij de auto voor haar rekening bij [partij A] ophaalt.
5.28.
Een gevolg van de ontbinding is ook dat het kenteken niet langer op naam van [partij A] kan blijven staan. [partij B] moet eraan meewerken dat het kenteken (weer) op naam van [partij B] wordt gesteld, zulks op straffe van (verbeurte van) een dwangsom van € 500,00 voor ieder(e) (deel van een) dag dat zij daarmee in gebreke blijft. De dwangsom wordt gemaximeerd tot € 10.000,00.
Kan [partij A] ook aanspraak maken op schadevergoeding?
5.29.
Artikel 7:24 lid 1 BW bepaalt dat, als de verkoper een non-conforme zaak aflevert, de consument-koper recht heeft op schadevergoeding als bedoeld in boek 6 van het BW.
Er is sprake van een tekortkoming aan de zijde van [partij B] en deze kan haar, gelet op de feiten en omstandigheden, ook worden toegerekend. Dat betekent dat [partij B] de schade die [partij A] als gevolg van de tekortkoming heeft geleden in beginsel aan hem moet vergoeden.
[partij A] maakt aanspraak op een schadevergoeding van in totaal € 1.316,32, maar heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe dat bedrag precies is opgebouwd. Uit de stukken volgt dat [partij A], in ieder geval, aanspraak maakt op vergoeding van de door hem betaalde:
a - onderzoeks- en herstelkosten ;
b - verzekeringspremies ;
c - wegenbelasting.
Volgens [partij A] heeft hij de auto vanaf het moment van aankoop (12 februari 2024) niet ongestoord kunnen gebruiken, zodat de gevorderde premies en belasting ook vanaf dat moment zullen moeten worden vergoed.
5.30.
ad a: de onderzoeks- en herstelkosten
[partij A] vordert dat [partij B] wordt veroordeeld de door hem gemaakte onderzoeks- en herstelkosten te vergoeden en verwijst in dat verband naar de door hem overgelegde facturen van [bedrijf 2] met betrekking tot vervanging van de bougie (€ 83,49 inclusief btw) en tot het beoordelen van de motorstoring en het bijvullen van olie (€ 97,43 inclusief btw)
De kantonrechter maakt uit de facturen van [bedrijf 2] op dat deze (met name) zien op reparaties. Zoals hiervoor overwogen en geoordeeld zijn betreffen de door [bedrijf 2] uitgevoerde werkzaamheden (vervangen van de bougies en olie bijvullen) normale onderhoudswerkzaamheden. De vordering tot vergoeding van de herstelkosten van [bedrijf 2] zullen worden afgewezen. De post diagnose uitlezen storingen ad € 41,32 is naar het oordeel van de kantonrechter wel toewijsbaar.
5.31.
ad b en c: de verzekeringspremies en wegenbelasting
[partij A] maakt ook aanspraak op vergoeding van de vanaf het moment van aankoop van de auto (12 februari 2024) door hem betaalde verzekeringspremies en wegenbelasting.
[partij B] voert als verweer dat [partij A] een schadebeperkingsplicht heeft op grond van artikel 6:101 BW en dat hij de auto eerder had moeten schorsen.
5.32.
De kantonrechter overweegt als volgt:
Uit het als productie 10 bij dagvaarding overgelegde betalingsbewijs m.b.t. de wegenbelasting en de daarop vermelde toelichting volgt dat [partij A] aanspraak maakt op betaling van de wegenbelasting ad € 56,00 per maand over de periode van 1 juni 2024 tot
27 september 2024, zijnde het moment waarop de auto is geschorst.
De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] tijdens de mondelinge behandeling voldoende heeft toegelicht waarom de auto niet eerder dan eind september 2024 kon worden geschorst. De door [partij A] aangevoerde reden is, evenals de hoogte van de gevorderde wegenbelasting, ook niet (voldoende) bestreden door [partij B]. De kantonrechter zal de vergoeding van de wegenbelasting dan ook toewijzen over de periode van 1 juni 2024 tot 27 september 2024 (het moment waarop de auto is geschorst).
Waar het gaat om de verzekeringspremies heeft [partij A] niet duidelijk inzichtelijk gemaakt welke bedrag in totaal aan verzekeringspremies wordt gevorderd en over welke periode.
De kantonrechter zal de gevorderde premies (ad € 166,84 per maand) eveneens toewijzen over de periode van 1 juni 2024 tot 27 september 2024, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 667,36 aan verzekeringspremies.
Totaal zal aan schadevergoeding worden toegewezen een bedrag van € 41,32 aan uitleeskosten + € 224,00 aan wegenbelasting + € 667,36 aan verzekeringspremies =
€ 932,68.
5.33.
De gevorderde rente over de schadebedragen zal worden toegewezen vanaf het moment van dagvaarding, nu [partij A] - zoals hiervoor overwogen - geen stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat, en per wanneer, [partij B] met de betaling daarvan in verzuim is.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.34.
[partij A] vordert vergoeding van een bedrag van in totaal € 1.104,95 (€ 907,50 + € 197,45) aan buitengerechtelijke incassokosten.
[partij A] heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aangetoond dat buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt.
De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden berekend over de toegewezen hoofdsom (€ 7.500,00 + € 932,68 = € 8.432,68). De hoogte wordt vastgesteld aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom zal een bedrag van € 796,63 worden toegewezen. Het meerdere zal worden afgewezen.
5.35.
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal - nu over het moment van betaling niets is gesteld - worden toegewezen vanaf het moment van dagvaarding. Ook hier geldt dat de gewone wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW wordt toegewezen.
5.36.
Nu de vordering wordt toegewezen op de primaire grondslag (non-conformiteit) behoeft de subsidiaire grondslag (dwaling) geen bespreking.
Proceskosten
5.37.
[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
139,30
- griffierecht
248,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.200,30
Uitvoerbaar bij voorraad
5.38.
Deze uitspraak zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Dat betekent dat de uitspraak kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld.
In reconventie
5.39.
Nu [partij B] in conventie in het ongelijk is gesteld en dus niet kan worden geoordeeld dat [partij A] ten onterechte een rechtszaak is gestart, zal het door
[partij B] in reconventie gevorderde worden afgewezen.
5.40.
Vanwege de samenhang met de eis conventie zal de kantonrechter geen aparte proceskostenveroordeling in reconventie uitspreken.

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst op 27 augustus 2024 rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden,
6.2.
veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na dit vonnis aan [partij A] terug te betalen het aankoopbedrag van € 7.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 29 november 2024 tot de dag van volledige betaling daarvan,
6.3.
veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na dit vonnis aan [partij A] te betalen een bedrag van € 932,68 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente over voornoemd bedrag vanaf 29 november 2024 tot de dag van volledige betaling daarvan,
6.4.
veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een deugdelijk vrijwaringsbewijs aan [partij A] te verschaffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [partij B] niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
6.5.
veroordeelt [partij B] om binnen veertien dagen na dit vonnis aan [partij A] te betalen een bedrag van € 796,63 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 november 2024 tot de dag van volledige betaling daarvan,
6.6.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten ter hoogte van € 1.200,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
verklaart de onderdelen 6.2 tot en met 6.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
6.9.
wijst de vorderingen van [partij B] af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A. Smit en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025.