ECLI:NL:RBOVE:2025:4737

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
C/09/324782 / HA ZA 24-453
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid van de rechter in een internationale koopovereenkomst met kunstwerken

In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 16 juli 2025 uitspraak gedaan in een incident betreffende de bevoegdheid van de rechter. Partij A, een Nederlandse besloten vennootschap, vorderde in de hoofdzaak ontbinding van een overeenkomst met partij B, een Spaanse rechtspersoon, en veroordeling tot betaling van bedragen. Partij A stelde dat partij B tekortgeschoten was in de nakoming van de overeenkomst door kunstwerken niet tijdig te leveren. Partij B voerde in het incident aan dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was, maar de Spaanse rechter. De rechtbank besloot eerst het incident te behandelen, omdat de bevoegdheid ter discussie stond. Tijdens de mondelinge behandeling op 1 juli 2025 werd enkel het incident besproken. De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst elementen van zowel koop als dienstverlening bevatte, maar dat het zwaartepunt lag bij de dienstverlening, aangezien de kunstwerken in Spanje vervaardigd moesten worden. Hierdoor was de Spaanse rechter bevoegd. De rechtbank wees de incidentele vordering van partij B toe en verklaarde zich onbevoegd in de hoofdzaak. Partij A werd veroordeeld in de proceskosten van zowel het incident als de hoofdzaak.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/09/324782 / HA ZA 24-453
Vonnis van 16 juli 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[partij A] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1],
eisende partij in de hoofdzaak, gedaagde partij in het incident,
hierna te noemen: ‘[partij A]’,
advocaat: mr. S.J.M. Masselink,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[partij B],
gevestigd in [vestigingsplaats 2] (Spanje),
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
hierna te noemen: ‘[partij B]’,
advocaat: mr. H.C.W. Geffroy.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 25 oktober 2024, met 9 producties;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid d.d. 26 maart 2025, met 4 producties;
- de conclusie van antwoord in het incident d.d. 9 april 2025;
- de e-mail van de rechtbank d.d. 14 mei 2025, waarin is aangegeven dat in het incident een mondelinge behandeling zal plaatsvinden;
- een bericht van mr. Masselink d.d. 18 juni 2025, waarmee van de zijde van [partij A] productie 10 is overgelegd;
- een akte overlegging producties van de zijde van [partij B] (producties 5 en 6), ontvangen op 18 juni 2025;
- een akte overlegging producties van de zijde van [partij B] (producties 7 en 8), ontvangen op 23 juni 2025;
- de spreekaantekeningen van mr. Masselink, voorgedragen op de mondelinge behandeling van 1 juli 2025;
- de spreekaantekeningen van mr. Goffroy, voorgedragen op de mondelinge behandeling van 1 juli 2025;
- de mondelinge behandeling in het incident die op 1 juli 2025 heeft plaatsgevonden.
1.2.
Aansluitend is vonnis in het incident bepaald en wordt dit vonnis vervroegd uitgesproken.

2.Het geschil

2.1.
[partij A] vordert – verkort weergegeven – in de hoofdzaak:
(i) primair: een verklaring voor recht dat [partij A] de overeenkomst met [partij B] die ziet op de koop van 19 kunstwerken (hierna: ‘de overeenkomst’) heeft ontbonden;
subsidiair: de overeenkomst tussen [partij A] en [partij B] te ontbinden;
(ii) [partij B] te veroordelen om aan [partij A] terug te betalen een bedrag van € 87.210,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
(iii) [partij B] te veroordelen om aan [partij A] te betalen een bedrag van € 247.067,60 ten titel van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
(iv) [partij B] te veroordelen om de geleverde 6 kunstwerken terug te nemen;
(v) [partij B] te veroordelen in de kosten van het geding.
2.2.
[partij A] legt aan haar vordering in de hoofdzaak – kort gezegd – het standpunt ten grondslag dat [partij B] ten opzichte van haar is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenissen die voortvloeien uit de overeenkomst, doordat [partij B] de kunstwerken, die zij op grond van de overeenkomst aan [partij A] moest leveren, niet tijdig en deels in het geheel niet heeft geleverd.
2.3.
[partij B] heeft – vóór alle weren in de hoofdzaak – een incident opgeworpen. [1] [partij B] betoogt in het incident dat niet de Nederlandse rechter maar de Spaanse rechter bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen.
2.4.
[partij A] voert verweer in het incident. De conclusie van [partij A] is dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is en dat de incidentele vordering van [partij B] daarom moet worden afgewezen.
2.5.
De rechtbank ziet aanleiding om eerst en vooraf op het incident te beslissen, omdat in het incident de bevoegdheid van de rechter ter discussie is gesteld. Tijdens de mondelinge behandeling, gehouden op 1 juli 2025, is alleen het geschil in het incident aan de orde gekomen.
2.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
Deze zaak heeft een internationaal aspect, doordat een Nederlandse rechtspersoon en een Spaanse rechtspersoon tegen elkaar procederen.
3.2.
Spanje en Nederland vallen beide onder de territoriale werkingssfeer van Verordening EU nr. 1215/2012, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: ‘EEX-Verordening’). Gelet daarop moet aan de hand van de EEX-Verordening worden bepaald welke rechter bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen.
3.3.
Artikel 4 lid 1 EEX-Verordening geeft als hoofdregel dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.
3.4.
Artikel 7 EEX-Verordening geeft een aantal bijzondere bevoegdheden. De aanhef en lid 1 van die bepaling luiden – voor zover van belang – als volgt:
“Een persoon die woonplaats heeft op het gebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
1. a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
b) voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:
- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
- voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;”
3.5.
Partijen zijn er in de schriftelijke stukken van uitgegaan dat de tussen hen bestaande overeenkomst moet worden gekwalificeerd als ‘koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken’ in de zin van artikel 7 lid 1 sub b EEX-Verordening. Het standpunt van [partij A] is dat partijen zijn overeengekomen dat de aangekochte kunstwerken op haar vestigingsadres, in Nederland, zouden worden geleverd. Het standpunt van [partij B] is dat partijen zijn overeengekomen dat [partij B] de kunstwerken op haar vestigingsadres, in Spanje, zou overdragen aan een (door [partij A] ingeschakelde) vervoerder, waarna iedere verdere verantwoordelijkheid voor vervoer en levering bij [partij A] zou liggen.
3.6.
De rechtbank moet – afgezien van het door [partij B] opgeworpen incident – ook ambtshalve toetsen of zij bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. In dat kader heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling aan partijen gevraagd hoe zij aankijken tegen een kwalificatie van de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst als het ‘verstrekken van een dienst’ in de zin van artikel 7 lid 1 sub b EEX-Verordening. Van de zijde van [partij A] is daarop aangegeven dat zij de overeenkomst ziet als een gemengde overeenkomst (met elementen van zowel koop als dienstverlening), waarbij het zwaartepunt ligt bij koop. Van de zijde van [partij B] is aangegeven dat zij haar standpunt handhaaft dat sprake is van koop. De rechtbank oordeelt als volgt.
3.7.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat de overeenkomst zowel elementen van ‘koop’ als van ‘dienstverlening’. De rechtbank is van oordeel dat het zwaartepunt van de verbintenissen die (door [partij B]) onder de overeenkomst moeten worden uitgevoerd, ligt bij het verstrekken van een dienst. [partij A] heeft [partij B] op basis van de overeenkomst de opdracht gegeven om specifieke kunstwerken te vervaardigen, die vervolgens door [partij A] worden gekocht. Het vervaardigen van de kunstwerken, wat feitelijk gebeurt door het (laten) gieten van een stof over een bestaande mal, is de dienst die [partij B] ten behoeve van [partij A] verricht. Het zwaartepunt van de prestatie die [partij B] moet verrichten, betreft het vervaardigen van de kunstwerken. De feitelijke verhouding tussen [partij A] en [partij B] wijkt daarmee af van de situatie waarbij door [partij A] panklare kunstwerken zouden zijn gekocht bij [partij B]. In dat laatste geval zou sprake zijn geweest van ‘koop’.
3.8.
Uit artikel 7 lid 1 sub b EEX-Verordening volgt dat, bij het verstrekken van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden, het criterium is voor het aanwijzen van de bevoegde rechter. Volgens de overeenkomst tussen [partij A] en [partij B] moesten de kunstwerken vervaardigd worden in Spanje. Gelet daarop is de Spaanse rechter bevoegd om van het geschil tussen [partij A] en [partij B] kennis te nemen.
3.9.
De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat ook indien de overeenkomst (overwegend) zou moeten worden gekwalificeerd als ‘koop’ in de zin van artikel 7 lid 1 sub b EEX-Verordening, de Spaanse rechter bevoegd zou zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de WhatsApp-conversatie tussen partijen worden afgeleid dat zij zijn overeengekomen dat de kunstwerken door [partij A], althans door een door [partij A] ingeschakelde vervoerder, zouden worden opgehaald in Spanje, om vervolgens door die vervoerder te worden vervoerd naar Nederland. Daarmee staat vast dat tussen partijen is overeengekomen dat de gekochte kunstwerken in Spanje zouden worden (af)geleverd, althans materieel zouden worden overgedragen aan de vervoerder (die in opdracht van [partij A] handelde). [2]
3.10.
De rechtbank verwijst ter onderbouwing naar de volgende WhatsApp-communicatie tussen [naam 1] (hierna: ‘[naam 1]’) van [partij A] en [naam 2] (hierna: ‘[naam 2]’) van [partij B]. Daarin staat het volgende:
“[8/4//24, 13:34:56] [naam 1] : - if made / cast by Fundicion Vila
- same globe and rope as always and wooden box
- ready for us to pick up latest end of June this year.
(…)
[8/4/24, 14:19:40] [naam 1] : Hi [naam 2], oke then please try your way for € 174k€ less is better”
(…)
[8/4/24, 15:56:10] [naam 2]: Ok Accept Thank you
(…)
[25/6/24, 12:25:02] [naam 1] : Hi [naam 2], can you send me pictures of the ready Forces of nature sculptures? Can I arrange pickup for now Thursday? Wat are the measurements of the pallet they are on?
(…)
[25/6/24, 12:35:08] [naam 2]: Ok, I understand, but I will ask them to send them to you at their expenses. After you approved them of course.
(…)
[25/6/24, 12:37:02] [naam 1] : If they just let me know what day it’s ready we will arrange transport.
(…)
[28/6/24, 13:58:36] [naam 1] : Did you hear from the foundry? Can I collect the pieces next week. Do you have photos?
[2/7/24, 14:37:52] [naam 2]: Hi [naam 1]; I am being given a delivery date of 9 on Friday 12th July.
[2/7/24, 14:43:20] [naam 2]: I could try to get them for Thursday 11ths pick up so that you receive them on Friday 12th if that will make a difference for you
[2/7/24, 14:43:27] [naam 2]: I am so sorry for the delay.”
3.11.
Uit het bovenstaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat partijen hebben afgesproken dat de kunstwerken in Spanje door [partij A] middels een vervoerder zouden worden opgehaald. Levering heeft daardoor plaatsgevonden in Spanje. Partijen hebben ook in die zin uitvoering gegeven aan de overeenkomst, doordat de zes kunstwerken die [partij B] wél heeft geleverd in Spanje aan de door [partij A] ingeschakelde en betaalde vervoerder zijn overgedragen. Dit leidt tot de conclusie dat ook indien zou worden aangenomen dat de overeenkomst tussen partijen louter moet worden gekwalificeerd als ‘koop’ in de zin van artikel 7 lid 1 sub b EEX-Verordening, de Spaanse rechter bevoegd zou zijn geweest om van dit geschil te kennis te nemen.
3.12.
[partij A] is in het incident in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident veroordeeld. De proceskosten van [partij B] in het incident worden begroot op:
- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × tarief II)
- nakosten € 178,00plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 1.406,00
3.13.
Door de toewijzing van de incidentele vordering van [partij B] eindigt ook de hoofdzaak. Omdat [partij A] de zaak aanhangig heeft gemaakt bij een niet bevoegde rechter, wordt [partij A] in de proceskosten (inclusief nakosten) in de hoofdzaak veroordeeld. De proceskosten van [partij B] in de hoofdzaak worden begroot op:
- griffierecht € 6.861,00
- nakosten € 178,00plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 7.039,00

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde toe,
4.2.
veroordeelt [partij A] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten van het incident, aan de zijde van [partij B] begroot op € 1.406,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, verhoogd met € 92,- in geval van betekening, waarbij geldt dat de betekeningskosten slechts verschuldigd zijn indien [partij A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over genoemde bedragen met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
in de hoofdzaak
4.3.
verklaart zich onbevoegd om van deze zaak kennis te nemen.
4.4.
veroordeelt [partij A] – uitvoerbaar bij voorraad – in de kosten in de hoofdzaak, aan de zijde van [partij B] begroot op € 7.039,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, verhoogd met € 92,- in geval van betekening, waarbij geldt dat de betekeningskosten slechts verschuldigd zijn indien [partij A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over genoemde bedragen met ingang van 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.

Voetnoten

1.Artikel 208 lid 1 Rv.
2.Vgl. HvJ EG 9 juni 2011, ECLI:EU:C:2011:375, rov. 16.