Uitspraak
RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11545809 \ CV EXPL 25-512
Vonnis van 15 juli 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. D. van der Wal,
tegen
MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES,
gevestigd in Den Haag,
gedaagde partij,
namens gedaagde partij: WWplus,
hierna te noemen: WWplus,
gemachtigde: drs. J.H.M. van der Hulst en ter zitting H. Hendriks.
1.Waar gaat deze zaak over?
1.1.
[eiser] ontvangt, in aanvulling op zijn werkloosheidsuitkering van het UWV, een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering en loonaanvullingsuitkering van WWplus (de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties). Aangezien [eiser] een te hoge uitkering heeft ontvangen, heeft WWplus een bedrag teruggevorderd en al gedeeltelijk verrekend met latere uitkeringsbedragen. [eiser] vordert in deze procedure een verklaring voor recht dat de terugvordering onterecht is en dat alles wat [eiser] al heeft betaald op de terugvordering door WWplus wordt terugbetaald.
1.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de terugvordering onterecht is, omdat [eiser] op het moment van ontvangen en besteden van de uitkeringsbedragen geen rekening hoefde te houden met de terugvordering en te goede trouw was. Ook moet WWplus alles wat zij hebben teruggevorderd, terugbetalen aan [eiser].
2.De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 23 januari 2025,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 10 juni 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3.De feiten
3.1.
Het dienstverband tussen [eiser] en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties is op 1 juli 2011 beëindigd.
3.2.
Na afloop van het dienstverband heeft [eiser] uitkeringsbedragen ontvangen van Loyalis, destijds de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Loyalis is overgegaan in APG en daarna in WWplus (hierna samen te noemen: de uitvoerder).
3.3.
[eiser] ontvangt vanaf 1 juli 2011, in aanvulling op zijn werkloosheidsuitkering van het UVW, een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering en vanaf 2013 een loonaanvullingsuitkering vanwege zijn werkzaamheden als rijinstructeur.
3.4.
Bij brief van 25 juli 2022 informeerde APG [eiser] dat hij vanaf maart 2016 tot en met augustus 2018 te weinig loonaanvulling en vanaf april 2022 tot en met juni 2022 te weinig bovenwettelijke werkloosheidsuitkering heeft ontvangen, in totaal € 997,58. Daarnaast heeft [eiser] vanaf maart 2021 tot en met mei 2022 € 11.864,20 te veel loonaanvulling ontvangen. In deze brief kondigde APG aan in totaal € 10.866,62 terug te gaan vorderen door vanaf 1 augustus 2022 maandelijks € 452,78 in te houden op de uitkering van [eiser]. APG schreef onder andere:
“Op 5 juli 2022 stuurde u ons het Verslag werk en Inkomen (VWI) over de maand juni 2022. Bij de verwerking daarvan bleek dat wij in het verleden niet iedere maand uw gewerkte uren juist hadden verwerkt in ons systeem. Wij bieden u hiervoor onze excuses aan. (…)U kreeg over de periode vanaf maart 2016 in totaal € 10.866,62 te veel uitkering.Doordat wij deze verandering nu pas verwerkten in ons systeem. Het bedrag dat u te veel kreeg, vragen wij terug. (…)Vanaf 1 augustus 2022 trekken wij € 452,78 af van uw uitkering.”
3.5.
In oktober 2022 heeft [eiser] per e-mail een heroverwegingsverzoek bij APG ingediend. APG heeft het verzoek een paar dagen later afgewezen. In juni 2024 diende [eiser] nogmaals per e-mail een heroverwegingsverzoek in. Dit verzoek is in augustus 2024 door WWplus afgewezen.
4.Het geschil
4.1.
[eiser] vordert (samengevat) een verklaring voor recht dat de terugvordering onterecht is en dat alles wat [eiser] heeft betaald op het bedrag van de terugvordering door WWplus wordt terugbetaald.
4.2.
WWplus voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5.De beoordeling
5.1.
In deze zaak gaat het om de vraag of WWplus de te veel betaalde uitkering bij [eiser] mag terugvorderen. Allereerst wordt het juridisch beoordelingskader uitgezet. Daarna volgt de inhoudelijke beoordeling.
Juridisch beoordelingskader
5.2.
WWplus heeft € 10.866,62 teruggevorderd van [eiser], omdat dit bedrag aan [eiser] is betaald zonder dat daarvoor een rechtsgrond is. WWplus baseert de terugvordering dus op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)).
5.3.
[eiser] doet echter een beroep op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wordt geoordeeld dat bij een terugvordering niet alleen rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak. Verder verwijst [eiser] naar een servicedocument van de pensioenfederatie. Hoewel dit servicedocument niet op de verhouding tussen deze twee partijen van toepassing is, wordt daarin onder verwijzing naar artikel 6:204 BW uitgelegd dat een pensioenuitvoerder niet snel tot terugvordering overgaat, als de onverschuldigde betaling een fout is van de pensioenuitvoerder en de ontvanger te goeder trouw is. Volgens [eiser] is het niet redelijk en billijk dat hij wordt verplicht de te veel ontvangen uitkeringsbedragen terug te betalen, omdat APG een fout heeft gemaakt en hij geen rekening hoefde te houden met de verplichting om deze bedragen terug te betalen. De kantonrechter begrijpt de redenering van [eiser] zo dat hij hiermee een beroep doet op artikel 6:204 BW en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 2 BW).
5.4.
Tussen partijen staat vast dat APG als rechtsvoorgangster van WWplus achteraf bezien vanaf maart 2021 te hoge bedragen aan [eiser] heeft uitgekeerd. [eiser] is hierdoor in beginsel verplicht een gelijk bedrag aan WWplus terug te betalen (artikel 6:203 lid 2 BW). Terugvordering kan echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (vgl. naar analogie artikel 6:204 lid 1 BW). Dit kan het geval zijn als [eiser] op het moment van het ontvangen en het moment van het besteden van de uitkeringsbedragen te goede trouw was en vanwege de omstandigheden geen rekening hoefde te houden met de verplichting tot terugbetaling. [eiser] was niet te goede trouw als hij wist dat hij het bedrag moest terugbetalen of als hij dit behoorde te weten (artikel 3:11 BW). Om te kunnen vaststellen dat [eiser] dit niet behoorde te weten, moet [eiser] voldoen aan zijn onderzoeksplicht. Hoe ver deze onderzoeksplicht reikt is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de positie van partijen, de vaardigheid van [eiser], of [eiser] werd bijgestaan door een goede adviseur en de mededelingen van WWplus.
Inhoudelijke beoordeling: de terugvordering is onterecht
5.5.
De kantonrechter zal de vorderingen toewijzen, omdat het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als [eiser] de te veel ontvangen uitkeringsbedragen zou moeten terugbetalen. [eiser] was te goeder trouw op het moment van ontvangen en het moment van besteden van de uitkeringsbedragen en hij hoefde gelet op de omstandigheden geen rekening te houden met de verplichting om deze bedragen terug te betalen. Voor dit oordeel is van belang dat [eiser] vanwege de steeds wisselende bedragen niet wist dat de uitkeringsbedragen in de periode maart 2021 tot en met mei 2022 gedeeltelijk onverschuldigd aan hem waren betaald, dat hij dit niet behoorde te weten en dat hij de uitkeringsbedragen die bedoeld waren om in zijn levensonderhoud te voorzien, te goede trouw heeft uitgegeven.
5.6.
De kantonrechter is van oordeel dat is komen vast te staan dat [eiser] niet wist dat de uitkeringsbedragen in verband met de loonaanvulling onverschuldigd aan hem waren betaald en dat hij dit ook niet kon weten op basis van de uitkeringsspecificaties. [eiser] had namelijk ten eerste geen goed inzicht in welk deel van de netto-uitkering ziet op de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering en welk deel ziet op de loonaanvulling. [eiser] heeft daarnaast gemotiveerd uitgelegd dat hij de door hem als rijinstructeur gewerkte uren via een digitaal administratiesysteem doorgaf aan APG, waarna APG een uitkeringsbedrag aan hem overmaakte. De netto uitkeringsbedragen verschilden (mede als gevolg daarvan) altijd al per maand. Hierdoor was het beeld van de ontwikkeling van de uitkeringsbedragen niet duidelijk. Door WWplus is in het kader van deze discussie een overzicht verstrekt van de bruto uitkeringsbedragen waarop volgens WWplus is te zien dat de bruto uitkeringsbedragen in verband met de loonaanvullingsuitkeringen in maart 2021 en de periode augustus 2021 tot en met juni 2022 stijgen. Dit overzicht maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders. Uit het overzicht blijkt weliswaar dat de loonaanvullingsuitkeringen hoger waren in die periode, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat het voor [eiser] duidelijk had moeten zijn dat er een fout was gemaakt. Ten eerste is relevant dat dit overzicht pas in het kader van de discussie over de terugvordering aan [eiser] is verstrekt. Daarnaast is relevant dat [eiser] zowel een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering als een loonaanvullingsuitkering ontving. De hoogte van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering wisselde ook. Uit het overzicht blijkt juist dat de aan [eiser] uitgekeerde brutobedragen (het totaal van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering en de loonaanvullingsuitkering) vanaf maart 2021 niet aanzienlijk verschillen van de uitgekeerde brutobedragen in de periode voor maart 2021. Bovendien is het verschil in de nettobedragen kleiner, waarbij [eiser] gemotiveerd heeft toegelicht dat hij in eerste instantie niet naar brutobedragen kijkt maar naar nettobedragen. Tot slot wist [eiser] vanwege de steeds wisselende bedragen niet op welke exacte bedragen hij recht had. Dat [eiser] te goeder trouw was, wordt ten slotte bevestigd door het feit dat hij APG er ook niet op wees dat hij in de periode van maart 2016 tot en met augustus 2018 soms te weinig kreeg uitgekeerd.
5.7.
Gelet op deze omstandigheden behoefde [eiser] ook niet te weten dat de uitkeringsbedragen onverschuldigd aan hem waren betaald en dat APG als professionele instantie een fout had gemaakt in de berekening van de uitkeringsbedragen, zoals APG erkend gedaan te hebben. [eiser] is een leek op dit gebied en van hem kan in dit geval mede vanwege de steeds wisselende bedragen niet worden verwacht dat hem opvalt dat de uitkeringsbedragen te hoog waren. APG heeft bovendien in een e-mail van 28 november 2022 erkend dat de berekening voor een leek een onoverzichtelijk geheel is. Volgens WWplus komt dit door verschillende omstandigheden. Loyalis en APG werkten met een verschillend aantal Sociale Verzekeringsdagen per maand, waardoor er meer schommelingen in de maandelijkse uitkeringsbedragen zaten. Daarnaast ontving [eiser] elke vier weken salaris voor zijn werkzaamheden als rijinstructeur, in plaats van elke maand, en wisselden de uren die hij per maand werkte. Hierdoor konden de maandelijkse uitkeringsbedragen nog meer schommelen. Dat de verschillende netto uitkeringsbedragen (achteraf) zijn te verklaren, wil naar het oordeel van de kantonrechter niet zeggen dat [eiser] de berekeningsfout had moeten opvallen. Deze omstandigheden maken het systeem juist minder inzichtelijk waardoor van een leek niet kan worden verwacht dat hij dit door middel van onderzoek kan vaststellen. [eiser] heeft nog geprobeerd inzicht te krijgen in het systeem door maandelijks zijn loonstroken in te lezen. Dit gaf [eiser] geen duidelijkheid, omdat er soms geen loonstrook en soms twee loonstroken klaarstonden. [eiser] heeft verder onbetwist gesteld dat de bedragen ook niet inzichtelijk waren voor zijn hypotheekverstrekker in het kader van een hypotheekaanvraag.
5.8.
Tot slot is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] de uitkeringsbedragen te goede trouw heeft uitgegeven. De te veel betaalde uitkeringsbedragen zijn over een periode van elf maanden door [eiser] ontvangen om in zijn levensonderhoud te voorzien en aangenomen kan worden dat die bedragen door [eiser] daar maandelijks aan zijn besteed. Op het moment van besteden van de bedragen wist [eiser] niet en behoefde hij niet te weten dat de bedragen onverschuldigd aan hem waren uitgekeerd, zoals de kantonrechter onder 5.6 en 5.7 heeft overwogen.
Proceskosten
5.9.
WWplus is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
744,47
6.De beslissing
De kantonrechter
6.1.
stelt vast in rechte dat de terugvordering van het bedrag van € 10.866,62 vermeld in het besluit van 25 juli 2022 onterecht is,
6.2.
veroordeelt WWplus om al hetgeen [eiser] heeft betaald op het terugvorderingsbedrag van € 10.866,62 aan [eiser] terug te betalen,
6.3.
veroordeelt WWplus in de proceskosten van € 744,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als WWplus niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2025. (hg)