ECLI:NL:RBOVE:2025:4943

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
C/08/331793 / HA ZA 25-121
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding overeenkomst zeecontainerwoning en toewijzing terugbetaling

Partijen sloten op 23 augustus 2021 een overeenkomst voor de levering van meerdere zeecontainers die samen een woning zouden vormen, met oplevering gepland voor mei en juni 2023. Daarnaast werd op 13 februari 2023 een meerwerkovereenkomst gesloten. Eiseressen betaalden in totaal €247.232,47 aan gedaagde.

Gedaagde leverde echter niets op en betaalde niets terug. Op 24 maart 2023 werd het faillissement van gedaagde uitgesproken, waarna de curator op 15 mei 2023 mededeelde dat nakoming niet meer mogelijk was. De vordering werd op 5 juni 2023 ingediend in het faillissement en de overeenkomsten werden ontbonden. Het faillissement werd op 21 januari 2025 opgeheven wegens gebrek aan baten.

Eiseressen vorderden betaling van het betaalde bedrag, vermeerderd met rente en kosten. Gedaagde voerde geen verweer. De rechtbank oordeelde dat de vordering toewijsbaar was, maar wees de buitengerechtelijke incassokosten af omdat de aanmaning niet voldeed aan de wettelijke eisen. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het bedrag, rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €247.232,47 met rente en proceskosten, buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/331793 / HA ZA 25-121
Vonnis van 16 juli 2025
in de zaak van

1.[eiser 1],

te [woonplaats 1],
2.
[eiser 2],
te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],
advocaat: mr. D.F. Fransen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. J. Engels.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] had tot 24 maart 2023 een eenmanszaak onder de naam [bedrijf]. De eenmanszaak had als activiteiten onder meer algemene burgerlijke en utiliteitsbouw en groothandel gespecialiseerd in overige bouwmaterialen.
2.2.
Op 23 augustus 2021 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen over de (op)levering van meerdere zeecontainers die tezamen een woning zouden vormen. De zeecontainerwoning zou geplaatst worden in Deventer voor 22 mei 2023 en de definitieve afwerking zou klaar zijn voor 16 juni 2023.
2.3.
Op 13 februari 2023 hebben partijen een overeenkomst gesloten ten aanzien van meerwerk.
2.4.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben op grond van deze overeenkomsten een bedrag van € 247.232,47 betaald aan [gedaagde].
2.5.
[gedaagde] heeft niets opgeleverd of terugbetaald.
2.6.
Op 24 maart 2023 is het faillissement van [gedaagde] uitgesproken.
2.7.
Op 15 mei 2023 heeft de curator in het faillissement van [gedaagde] per e-mail te kennen gegeven dat de overeenkomst niet meer nagekomen kon worden.
2.8.
Op 5 juni 2023 is de vordering ingediend in het faillissement en zijn de overeenkomsten ontbonden.
2.9.
Op 21 januari 2025 is het faillissement opgeheven vanwege gebrek aan baten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 247.232,47, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert geen verweer.

4.De beoordeling

Hoofdsom
4.1.
De stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] kunnen het gevorderde dragen en zijn door [gedaagde] niet weersproken. Het gevorderde moet daarom worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.2.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] is gedagvaard als een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser 1] en [eiser 2] hebben aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde]. Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.3.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
2.714,00
(1 punt × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.761,14
4.4.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen een bedrag van € 247.232,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 mei 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.761,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst af en meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.