ECLI:NL:RBOVE:2025:5000

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
84.190957.22 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte voor het voorhanden hebben van onveraccijnsde tabak

Op 28 juli 2025 heeft de Rechtbank Overijssel in Zwolle uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 48-jarige man, die samen met medeverdachten werd beschuldigd van het voorhanden hebben en opslaan van 870 kilogram onveraccijnsde tabak. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 11 mei 2022 in Emmeloord, samen met anderen, opzettelijk deze grote hoeveelheid tabak voorhanden heeft gehad, terwijl deze niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing was betrokken. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank oordeelde dat de verdachte, als boekhouder van een betrokken bedrijf, op de hoogte moest zijn van de illegale activiteiten en dat hij opzettelijk de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de tabak niet in de heffing was betrokken. De officier van justitie had een gevangenisstraf van zeven maanden geëist, maar de rechtbank vond de rol van de verdachte ernstiger en legde een zwaardere straf op. De rechtbank heeft ook de in beslag genomen tabak onttrokken aan het verkeer, gezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.190957.22 (P)
Datum vonnis: 28 juli 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1]
.

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 juli 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. K. Kok, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 11 mei 2022
in Emmeloord samen met anderen of alleen opzettelijk 870 kilogram onveraccijnsde tabak voorhanden en/of in opslag heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 11 mei 2022 te Emmeloord, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,
opzettelijk (een) grote hoeveelheid accijnsgoed(eren), te weten (ongeveer) 870 kilogram (rook)tabak, althans een (grote) hoeveelheid (rook)tabak, voorhanden en/of in opslag heeft/hebben gehad,
terwijl die/dat accijnsgoed(eren) niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op
de accijns in de heffing waren betrokken.

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
In het onderzoek Coates staan twee partijen onveraccijnsde tabak en twee tabaksproductie-apparaten centraal, aangetroffen op locaties in Deventer en Emmeloord. Hierbij zouden vier natuurlijke personen, genaamd [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] en verdachte, en de rechtspersoon [medeverdachte bedrijf] BV (hierna: [medeverdachte bedrijf] ) betrokken zijn.
Verdachte is alleen de aangetroffen tabak in Emmeloord ten laste gelegd. Dit vonnis zal zich daarom beperken tot de op deze locatie aangetroffen tabak.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit en daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
De door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen, die zeer belastend zijn voor verdachte, dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn. Volgens de raadsman is niet bewezen dat verdachte de aangetroffen tabak voorhanden of in opslag heeft gehad. Daarnaast is niet bewezen dat verdachte wist dat er tabak in de dozen zat; er is geen sprake van minstens voorwaardelijk opzet op het voorhanden hebben van de tabak.
Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de Douane een naheffingsaanslag accijns aan verdachte heeft opgelegd in verband met de aangetroffen tabak. Een door verdachte tegen deze aanslag ingediend bezwaarschrift is gegrond verklaard, omdat hij geen betrokkenheid heeft gehad bij het voorhanden hebben van die tabak.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de volgende redengevende feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
De feiten en omstandigheden [1]
In een bedrijfsruimte aan de [adres 2] , unit [nummer] in [vestigingsplaats] is op 11 mei 2022 onveraccijnsde tabak aangetroffen. De tabak was verpakt in 200 kilogram verpakkingen en in zakjes met het opschrift ‘
[naam]’. [2] Op de 200 kilogram verpakkingen zijn adresstickers aangetroffen, met daarop de naam en het telefoonnummer van verdachte. Op geen van de verpakkingen of zakjes met tabak zijn accijnszegels aangetroffen. [3] De verbalisanten hebben foto’s genomen van de hiervoor beschreven aangetroffen situatie. [4] Op het adres in Emmeloord was op 11 mei 2022 geen vergunninghouder gevestigd die tabaksproducten voorhanden mocht hebben of mocht bewerken. [5]
Na weging bleek er in totaal 870 kilogram tabak in beslag te zijn genomen. [6] Van de tabak zijn steekproefsgewijs monsters genomen en opgestuurd naar het Douane Laboratorium. Hiervan is één monster geïdentificeerd als rooktabak, goederencode 2403.1990 en accijnscode 79, die zonder verdere behandeling rookbaar is met behulp van een rookmachine. De overige monsters zijn geïdentificeerd als tabak, goederencode 2401.20 en accijnscode 79, die zonder verdere behandeling niet rookbaar is. Na versnijden van die bemonsterde tabak is deze rookbaar met behulp van een rookmachine.
Alle tabaksmonsters kunnen worden aangemerkt als rooktabak als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de accijns. [7]
Het nadeel aan niet afgedragen accijns is berekend op € 131.991,--. [8]
Verdachte heeft verklaard dat hij de boekhouder is van [medeverdachte bedrijf] en dat [medeverdachte 1] daarvan de eigenaar is. Verdachte heeft bemiddeld bij het ter beschikking stellen van het bedrijfspand in Emmeloord aan [medeverdachte bedrijf] . Verdachte beschikte destijds over de sleutel van dat bedrijfspand. [9] Volgens verdachte koopt [medeverdachte 1] tabak in Italië om door te verkopen. [10] [medeverdachte bedrijf] heeft van [bedrijf 1] . uit Italië een partij tabak gekocht van netto 1.200 kilogram voor een totaalbedrag van € 9.660,--, met als afleveradres de locatie in Emmeloord en de naam van de ontvanger [verdachte] . [11]
Ter terechtzitting heeft verdachte bevestigd dat [medeverdachte 1] aan hem heeft gevraagd om op zijn naam goederen vanuit Italië te ontvangen in Emmeloord. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat het om onveraccijnsde tabak ging. [12]
De overwegingen van de rechtbank
Met betrekking tot de verklaringen [medeverdachte 1]
Door de verdediging is aangevoerd dat de door [medeverdachte 1] bij de FIOD en de rechter-commissaris afgelegde verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze onbetrouwbaar zijn. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte de dozen met tabak heeft ontvangen, terwijl dit aantoonbaar onjuist is. Ook heeft [medeverdachte 1] volgens de verdediging op cruciale punten wisselend verklaard bij het verhoor bij de Belastingdienst/FIOD en bij de rechter-commissaris. Dat maakt de verklaringen van [medeverdachte 1] volgens de verdediging in haar geheel voor het bewijs onbruikbaar.
De rechtbank verwerpt dit verweer van de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar, nu meerdere onderdelen van zijn verklaringen worden ondersteund en bevestigd door bevindingen neergelegd in het dossier, waaronder verhoren van medeverdachten en verschillende documenten. Dat [medeverdachte 1] op één onderdeel inconsistent heeft verklaard, brengt niet met zich mee dat de gehele verklaringen van [medeverdachte 1] als onbetrouwbaar moeten worden bestempeld. Ook is het de rechtbank niet duidelijk geworden op welke andere cruciale punten volgens de raadsman wisselend is verklaard door [medeverdachte 1] . De rechtbank zal de verklaringen van [medeverdachte 1] dan ook niet uitsluiten van het bewijs.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de tabak heeft gekocht bij het bedrijf [bedrijf 1] . op naam van medeverdachte [medeverdachte bedrijf] . Hij heeft de tabak doorverkocht aan een bedrijf met de naam [bedrijf 2] in Turkije. De factuur hiervan vermeldt een bedrag van € 36.505,-- voor de verkochte tabak. [13]
[medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij de naam van verdachte heeft doorgegeven ten behoeve van het ontvangen van de tabak, omdat verdachte Turks spreekt. Dat hij de naam van verdachte heeft doorgegeven, heeft [medeverdachte 1] naar eigen zeggen aan verdachte verteld. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij verdachte verteld heeft wat er in de dozen zat. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] aan verdachte gevraagd of hij een plek had om de goederen op te slaan, waarop verdachte aangaf dat hij dit wel had. Ook heeft verdachte volgens [medeverdachte 1] contact opgenomen met [medeverdachte 2] om het verdere transport naar Turkije te bespreken. [14]
Met betrekking tot de rooktabak
Op grond van de weergegeven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de in Emmeloord aangetroffen 870 kilogram tabak – mede op basis van de prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van 6 april 2017, zaak C-638/15 (Eko Tabak-arrest) – kan worden aangemerkt als “rooktabak” die aan accijnsheffing onderhevig is.
Ook stelt de rechtbank vast dat door het ontbreken van accijnszegels op de aangetroffen tabak deze niet in overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing was betrokken en dat op het adres [adres 2] , unit [nummer] in [vestigingsplaats] geen vergunninghouder was gevestigd die tabaksproducten voorhanden mocht hebben of mocht bewerken.
Met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte
De rechtbank ziet zich gelet op het voorgaande in de eerste plaats voor de vraag gesteld of verdachte de tabak voorhanden heeft gehad in de zin van de Wet op de accijns. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte opzettelijk heeft gehandeld.
Voorhanden hebben
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij de onveraccijnsde rooktabak voorhanden heeft gehad als bedoeld in artikel 5, eerste lid onder b, van de Wet op de accijns.
Op grond van artikel 5 lid 1 onder b van de Wet op de accijns is het niet toegestaan om accijnsgoederen voorhanden te hebben die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken. Het begrip voorhanden hebben moet Unierechtelijk worden uitgelegd, omdat de Wet op de accijns een implementatie is van een EG-richtlijn. Die uitleg is ruimer dan in het gewone spraakgebruik. Niet alleen de persoon die de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar ook enig ander persoon die bij het voorhanden hebben betrokken is, kan worden aangemerkt als degene die accijnsgoederen voorhanden heeft. [15] Niet vereist is dat de persoon die de accijnsgoederen voorhanden had wist of redelijkerwijs had moeten weten dat voor die goederen accijns was verschuldigd. [16]
Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat op de 200 kilogram verpakkingen waarin de tabak is aangetroffen, adresstickers stonden met daarop de naam en het telefoonnummer van verdachte. Uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] – in overleg en met toestemming van verdachte – de naam van verdachte heeft doorgeven voor het ontvangen van de goederen in Emmeloord. Ook was het verdachte die de beschikking heeft gehad over de sleutels van het bedrijfspand in Emmeloord.
Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte de onveraccijnsde tabak voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen in de zin van artikel 5, eerste lid onder b, van de Wet op de accijns.
Opzet
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte de onveraccijnsde tabak opzettelijk voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen. Daarvoor is op zijn minst vereist dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat op de locatie in Emmeloord tabak voorhanden was en lag opgeslagen die niet in de accijns was betrokken (
voorwaardelijk opzet). De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat de op zijn naam geleverde goederen tabak betrof. De ontkennende verklaring van verdachte op dit punt stelt de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.
De vraag die resteert, is of verdachte ook wist dat de geleverde tabak onveraccijnsde tabak betrof.
Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte de boekhouder was van [medeverdachte bedrijf] , de onderneming van [medeverdachte 1] . Verdachte heeft de bedrijfsruimte in Emmeloord ter beschikking gesteld aan [medeverdachte bedrijf] door te bemiddelen bij de onderverhuur. Het was verdachte die de beschikking had over de sleutels van de bedrijfsruimte. Ook wist verdachte dat [medeverdachte 1] tabak kocht om vervolgens door te verkopen.
Uit het KVK-uittreksel van 1 mei 2023 blijkt dat vanaf 1 januari 2020 de bedrijfsactiviteiten van [medeverdachte bedrijf] worden omschreven als “het verlenen van diensten omtrent transport van goederen, onder andere meubels en kleding. Groothandel in computers en laptops.” [17] Hieruit leidt de rechtbank af dat de op naam van [medeverdachte bedrijf] gekochte tabak een ongebruikelijke bedrijfsactiviteit is voor de onderneming.
De rechtbank leidt uit het feit dat verdachte boekhouder van [medeverdachte bedrijf] was af dat hij inzage heeft gehad in de administratie van de onderneming, waaronder de inkomsten en uitgaven van de onderneming, de ontvangen en verzonden facturen en het afdragen van accijns en andere belastingen die de onderneming verschuldigd is.
Dit gegeven, in combinatie met de wetenschap van verdachte dat [medeverdachte 1] in het algemeen tabak koopt en doorverkoopt, dat [medeverdachte bedrijf] een partij tabak heeft gekocht van [bedrijf 1] . voor een bedrag van € 9.660,-- en dat op de doorverkochte tabak een winst van € 26.845,-- zou worden behaald, welke transacties in de boekhouding verwerkt moeten worden, het feit dat de in- en verkoop van tabak een ongebruikelijke bedrijfsactiviteit is voor [medeverdachte bedrijf] en de wetenschap van verdachte dat de op zijn naam geleverde goederen tabak betrof, die zou worden afgeleverd op een adres waarvan verdachte de sleutel had en waarvoor geen accijnsgoederenplaatsvergunning was afgegeven, maakt dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de in Emmeloord aangetroffen partij tabak niet in de heffing van de accijns was betrokken.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 mei 2022 opzettelijk 870 kilogram onveraccijnsde tabak voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen in de zin van artikel 5, eerste lid onder b, van de Wet op de accijns.
Met betrekking tot het medeplegen
De rechtbank is op grond van voorgaande overwegingen van oordeel dat verdachte en de medeverdachten op een nauwe en bewuste wijze hebben samengewerkt. Verdachte heeft een opslagruimte ter beschikking gesteld aan [medeverdachte bedrijf] en heeft in overeenstemming met [medeverdachte 1] de tabak op zijn naam laten leveren. Daarmee is de betrokkenheid van verdachte naar het oordeel van de rechtbank van voldoende gewicht om hem aan te merken als medepleger van het ten laste gelegde feit.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 11 mei 2022 te Emmeloord,
tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een grote hoeveelheid accijnsgoederen, te weten 870 kilogram rooktabak, voorhanden en in opslag heeft gehad, terwijl die accijnsgoederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 5 van de Wet op de Accijns, in samenhang met artikel 97 Wet op de accijns, en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf:
medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5, eerste lid onder b, van de Wet op de accijns opgenomen verbod.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk gekoppeld aan een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over een eventuele strafoplegging.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en opslaan van een grote hoeveelheid onveraccijnsde tabak. Het voorhanden hebben van een dergelijke hoeveelheid tabak verstoort de reguliere markt voor tabakswaren, de economische ordening en het fiscale systeem van Nederland. Illegale tabaksproducten worden vaak verkocht voor een prijs die ver onder de reguliere prijs voor zulke producten ligt. Hiermee ontduikt verdachte de accijnsverplichting die op deze producten van toepassing is en ontstaat ten onrechte een significant concurrentievoordeel.
Het nadeel voor de Nederlandse staat door het niet afdragen van de verschuldigde accijns op de tabak is vastgesteld op € 139.991,--.
Tot slot heeft het handelen van verdachte een negatieve invloed op het anti-rookbeleid van de Nederlandse overheid. Met de handel in illegale tabaksproducten wordt dit beleid ondermijnd, nu prijsverhogingen door heffingen en accijns worden ontweken. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 14 april 2025. Hieruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en dat artikel 63 Sr van toepassing is.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de strafmaat rekening gehouden met straffen die rechters in soortgelijke strafzaken opleggen en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van fraude. Bij een benadelingsbedrag van tussen de € 125.000,-- tot € 250.000,-- houden de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in van negen tot twaalf maanden.
De door de officier van justitie geëiste straf doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de rol van verdachte met betrekking tot de hoeveelheid aangetroffen tabak en verdachtes eerdere veroordeling. De rechtbank acht, gelet hierop en de aan de medeverdachten opgelegde straffen, een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk, gekoppeld aan een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.
6.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de beslaglijst vermelde twaalf voorwerpen, die allemaal bestaan uit illegale tabak, dienen te worden onttrokken aan het verkeer.
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen.
De rechtbank is van oordeel dat op de beslaglijst vermelde voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b en 36c Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf:
medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de in beslag genomen voorwerpen
- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder de nummers 1 t/m 12.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. R.P. van Campen en
mr. L. Kesteloo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2025.
Buiten staat
Mr. R.P. van Campen en mr. L. Kesteloo zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD met nummer 71587/onderzoek Coates. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek inbeslaggenomen tabak van 24 maart 2023, AMB-005, p. 167, in samenhang met een proces-verbaal doorzoeking Object B, [adres 2] van 19 mei 2022, IBN-002-01, p. 325 en 326.
3.Een proces-verbaal van bevindingen Forensisch Onderzoek - Monstername en onderzoek aan goederen locatie Emmeloord van 30 mei 2022, IBN-002-02, p. 328 en 329, en het proces-verbaal zaaksdossier van 18 april 2023, ZD-001, p. 79, derde alinea.
4.Het proces-verbaal Fotodossier "Goederen locatie Emmeloord", IBN-002-03, p. 330 t/m 349, zoals beschreven door verbalisanten in IBN-002-01, p. 325 en 326 en waargenomen door de rechtbank en besproken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
5.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-026, inhoudende een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 27 juni 2022, p. 426, vijfde alinea.
6.Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek inbeslaggenomen tabak van 24 maart 2023, AMB-005, p. 177.
7.Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek inbeslaggenomen tabak van 24 maart 2023, AMB-005, p. 177, in samenhang met een proces-verbaal onderzoek Douane Laboratorium van 8 juli 2022, IBN-002-04, p. 350 t/m 354 en schriftelijk bescheid met documentcode DOC-042, p. 457 en 458.
8.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-056, p. 493.
9.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 juli 2025.
10.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 21 juni 2022, V-002-01, p. 44, zesde alinea, 45 en 46.
11.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-014. p. 402.
12.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 juli 2025.
13.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] van 2 december 2022, V-004-01, p. 63, vanaf de twee na laatste alinea, en p. 64, eerste t/m zesde alinea, in samenhang met een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-018, p. 411.
14.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] van 2 december 2022, V-004-01, p. 61, derde alinea en laatste alinea, p. 62, twee na laatste alinea, en p. 68, twee na laatste alinea.
15.Gerechtshof ’s Hertogenbosch 2 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2140, r.o. C; Richtlijn 2008/118/EG.
16.Hof van Justitie van de Europese Unie 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:473, r.o. 28.
17.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-019, p. 415.