ECLI:NL:RBOVE:2025:5003

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
84.221643.23 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafrechtelijke veroordeling van een rechtspersoon voor het voorhanden hebben van onveraccijnsde tabak en tabaksproductieapparaten

Op 28 juli 2025 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen [verdachte] B.V., die werd beschuldigd van het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid onveraccijnsde tabak en twee tabaksproductieapparaten zonder de vereiste vergunningen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk 1.441,5 kilogram onveraccijnsde tabak voorhanden heeft gehad in Deventer en Emmeloord, en dat deze tabak niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing was betrokken. De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk overtreden van de accijnswetgeving. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 50.000,-- met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank overwoog dat het voorhanden hebben van deze goederen de reguliere markt voor tabakswaren verstoort en een significant concurrentievoordeel oplevert, wat schadelijk is voor de Nederlandse staat en het anti-rookbeleid. De rol van de verdachte in de feiten werd als ernstig beschouwd, maar er werd rekening gehouden met het feit dat de huidige eigenaar en bestuurder niet betrokken waren bij de feiten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.221643.23 (P)
Datum vonnis: 28 juli 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] B.V.
gevestigd aan de [vestigingsplaats 1] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 juli 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de wettelijke vertegenwoordiger van [verdachte] BV, [naam 1] (hierna: [naam 1] ), naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] BV op 11 mei 2022:
feit 1:in Deventer en/of Emmeloord samen met anderen of alleen opzettelijk 1.441,5 kilogram onveraccijnsde tabak voorhanden en/of in opslag heeft gehad;
feit 2:samen met anderen of alleen twee tabaksproductieapparaten voorhanden heeft gehad, zonder een daartoe strekkende vergunning, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs kon weten dat de tabaksproductieapparaten werden gebruikt tot de ontduiking van accijns.
Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte] BV, dat:
1.
zij op of omstreeks 11 mei 2022 te Deventer en/of Emmeloord, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,
opzettelijk (een) grote hoeveelheid accijnsgoed(eren), te weten (ongeveer) 1.441,5 kilogram (rook)tabak, althans een (grote) hoeveelheid (rook)tabak, voorhanden en/of in opslag heeft/hebben gehad,
terwijl die/dat accijnsgoed(eren) niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op
de accijns in de heffing waren betrokken;
2.
zij op of omstreeks 11 mei 2022 te Deventer, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,
twee tabaksproductieapparaten, althans één of meer tabaksproductieappara(a)t(en), te weten een snijmachine en/of een droogtrommel voorhanden heeft/hebben gehad,
zonder een daartoe strekkende vergunning van de inspecteur te hebben verkregen,
zulks terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s), wist(en) en/of redelijkerwijs kon(den) weten dat het/de tabaksproductieappara(a)t(en) bestemd was/waren of zou worden bestemd om te worden gebruikt tot ontduiking van de accijns.

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
In het onderzoek Coates staan twee partijen onveraccijnsde tabak en twee tabaksproductie-apparaten centraal, aangetroffen op locaties in Deventer en Emmeloord.
Hierbij zouden vier natuurlijke personen, genaamd [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ),
[medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en de rechtspersoon [verdachte] BV (hierna: verdachte) betrokken zijn.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.
3.3
Het standpunt van de verdachte
De wettelijk vertegenwoordiger van verdachte, [naam 1] , heeft verklaard geen wetenschap te hebben gehad van eventueel gepleegde strafbare feiten door verdachte.
Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was hij niet de bestuurder van verdachte. Ook heeft hij geen enkele relatie met de oud bestuurder(s) van verdachte.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht op grond van de volgende redengevende feiten en omstandigheden, die in de bewijsmiddelen zijn vervat en waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan.
De feiten en omstandigheden [1]
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
De aangetroffen tabak in Deventer en Emmeloord
In een bedrijfspand aan de [adres 1] is op 11 mei 2022 een grote hoeveelheid onveraccijnsde tabak aangetroffen, na een melding van getuige [getuige] die een sterke chemische geur had geroken afkomstig van het door [medeverdachte 1] gehuurde deel van de bedrijfsruimte. Bij het betreden van het bedrijfspand via het laad- en losplatform roken de verbalisanten voor de roldeur een sterke geur die zij herkenden als de geur van tabak. De tabak was verpakt in zowel 200 kilogram verpakkingen, als in doorzichtige plastic zakken en zakjes met het opschrift ‘
[naam 2]’. [2] Op geen van de verpakkingen, zakken of zakjes zijn accijnszegels aangetroffen. [3] De verbalisanten hebben foto’s genomen van de aangetroffen situatie. [4]
Op het adres in Deventer was op 11 mei 2022 geen vergunninghouder gevestigd die tabaksproducten voorhanden mocht hebben of mocht bewerken. [5]
Een transportsticker met daarop de naam van [medeverdachte 2] op één van de dozen met tabak, leidden verbalisanten naar een bedrijfspand aan de [adres 2] , unit [nummer] in [vestigingsplaats 2] . Ook daar werd een grote hoeveelheid onveraccijnsde tabak aangetroffen. De tabak was verpakt in 200 kilogram verpakkingen en in zakjes met het opschrift ‘
[naam 2]’. [6] Op geen van de verpakkingen en zakjes met tabak zijn accijnszegels aangetroffen. [7] De verbalisanten hebben foto’s genomen van de aangetroffen situatie. [8]
Op het adres in Emmeloord was op 11 mei 2022 geen vergunninghouder gevestigd die tabaksproducten voorhanden mocht hebben of mocht bewerken. [9]
Na weging bleek er in het bedrijfspand in Deventer in totaal 1.229,5 kilogram tabak en in het bedrijfspand in Emmeloord in totaal 870 kilogram tabak in beslag te zijn genomen. [10] Van de tabak in Deventer was 658 kilogram verontreinigd. Van de overige 1.441,5 kilogram zijn steekproefsgewijs monsters genomen en opgestuurd naar het Douane Laboratorium. Hiervan zijn drie monsters geïdentificeerd als tabak, goederencode 2401.20 en accijnscode 79, die zonder verdere behandeling niet rookbaar is. Na versnijden van die bemonsterde tabak is deze rookbaar met behulp van een rookmachine. De overige monsters zijn geïdentificeerd als rooktabak, goederencode 2403.1990 en accijnscode 79, die zonder verdere behandeling rookbaar is met behulp van een rookmachine. Alle tabaksmonsters kunnen worden aangemerkt als rooktabak als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de accijns. [11]
De niet afgedragen accijns over de in Deventer aangetroffen tabak is berekend op
€ 91.960,--. [12]
De niet afgedragen accijns over de in Emmeloord aangetroffen tabak bedraagt
€ 131.991,--. [13]
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij op naam van verdachte de in beslag genomen tabak heeft gekocht bij het bedrijf [bedrijf 1] in Italië. Hiervan is een factuur en een transportdocument overgelegd. Op beide staan de (adres)gegevens van verdachte. De factuur vermeldt een aankoopbedrag van € 9.660,-- voor de gekochte tabak. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat de tabak bestemd was voor een afnemer in Turkije en dat het voordeliger is om de tabak via Nederland naar Turkije te transporteren dan direct vanuit Italië. Ook waren directe transporten vanuit Italië naar Turkije volgens [medeverdachte 4] niet mogelijk.
[medeverdachte 4] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 3] hem in contact heeft gebracht met [bedrijf 1] . [14] Ook heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij de tabak heeft doorverkocht aan het bedrijf [bedrijf 2] in Turkije. Hiervan is eveneens een factuur overgelegd. De factuur vermeldt een bedrag van € 36.505,-- voor de verkochte tabak. Over de factuur heeft [medeverdachte 4] verklaard dat deze ‘vanuit mijn bedrijf is gekomen’. Op de factuur staan de (adres)gegevens van verdachte en van [bedrijf 2] . [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] hem in contact heeft gebracht met een contactpersoon van [bedrijf 2] . [15] [medeverdachte 4] heeft verder verklaard dat hij in overleg met [medeverdachte 2] , de boekhouder van verdachte, diens naam heeft doorgegeven aan [bedrijf 1] . Ook heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij aan [medeverdachte 2] heeft gevraagd of hij een plek had om de goederen op te slaan. Dit had [medeverdachte 2] , aldus [medeverdachte 4] . Volgens [medeverdachte 4] zou [medeverdachte 3] het transport van de tabak en machines regelen. [16]
In het dossier bevindt zich een op schrift gestelde verklaring, ondertekend door [medeverdachte 4] . Daarin staat onder meer [medeverdachte 4] de bestuurder is van verdachte en dat hij de in beslag genomen goederen heeft besteld. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij de schriftelijke verklaring heeft opgesteld en ondertekend. [17]
Op de vraag wie betrokken is bij de in- en verkoop van de dozen waarin de tabak is aangetroffen, heeft [medeverdachte 2] verklaard dat dit verdachte is en dat verdachte het uitzendbureau van [medeverdachte 4] is. Volgens [medeverdachte 2] regelt verdachte personeel voor andere bedrijven. Later is verdachte in de handel gegaan, aldus [medeverdachte 2] . Volgens [medeverdachte 2] koopt verdachte tabak in Italië om door te verkopen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] al in 2017 bij hem is gekomen. Ook heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij heeft bemiddeld bij het ter beschikking stellen van het bedrijfspand in Emmeloord aan verdachte, zodat zij daar goederen konden opslaan. [18]
De aangetroffen tabaksproductieapparaten in Deventer
In het bedrijfspand te Deventer werden op 11 mei 2022 ook een snijmachine en een droogtrommel aangetroffen, die bestemd zijn voor de verwerking van tabak. [19] Van de aangetroffen droogtrommel en snijmachine zijn door de verbalisanten foto’s gemaakt. [20] Op de snijmachine is een bruinkleurige stofaanslag aangetroffen, die volgens de verbalisanten gelijk is aan het fijnstof dat zij herkennen als fijnstof aanwezig bij een tabaksfabriek waar tabak wordt verwerkt. Dit fijnstof werd ook aangetroffen aan de buitenzijde van één van de bestelauto’s in de bedrijfsruimte. [21]
In de droogtrommel werden resten van tabak aangetroffen. [22]
Aan [medeverdachte 1] zijn foto’s van de machines getoond. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze machines anderhalve maand eerder heeft opgehaald in het bedrijfspand in Emmeloord en naar het bedrijfspand in Deventer heeft gebracht. De machines zouden volgens [medeverdachte 1] samen met de tabak naar Turkije worden vervoerd. [23]
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij een brander en versnipperaar heeft gekocht bij een Pools bedrijf. [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 4] in contact gebracht met het Poolse bedrijf en was erbij toen [medeverdachte 4] beide machines heeft besteld, aldus [medeverdachte 4] . Door [medeverdachte 4] is een factuur in de Poolse taal verstuurd naar de verbalisanten, op naam van [bedrijf 3] en gericht aan verdachte met de datum 15 december 2021. De factuur vermeldt een aankoopbedrag van € 19.100,-- voor de gekochte apparaten. [24] Uit onderzoek naar de tekst op die factuur bleek dat de Poolse onderneming een website had met de domeinnaam ‘ [internetsite] ’. Op die website stond onder het kopje ‘
products’ dat het bedrijf onder meer ‘
Tobacco cutting machines'en `
Dryers and steamers’ verkocht. Op de internetsite van [bedrijf 3] werden alleen producten te koop aangeboden die te maken hebben met de verwerking van tabak, en alleen ongebruikte machines werden aangeboden. [25]
Op 25 mei 2022 heeft ‘ [e-mailadres] ’ een e-mail gestuurd naar de Belastingdienst/FIOD met de volgende tekst:
“One year ago we bought a machine through the company [bedrijf 4] the owner of this company is [medeverdachte 3] we got the machine here in Istanbul.
Later he let us come in contact with other company the name of the company is [verdachte] we bought a months ago the complete machines for our project but we didn't get it till now
they told us some months ago that they are ready to sent it and that they know a good quality of tobacco from Italy we asked to sent us that too” [26]
Vervolgens heeft ‘ [e-mailadres] ’ op 30 mei 2022 een e-mail gestuurd naar de Belastingdienst/FIOD met de volgende tekst:

I paid for the goods I have already two machines is was through [bedrijf 4]
And I paid for [medeverdachte 4] cash in istanbul.
[verdachte] told us that they are busy with guys
We sent to you the last connection with the dutch company [27]
[medeverdachte 4] is bovenstaande e-mail getoond en heeft verklaard dat het bedrag in contanten door [bedrijf 2] aan hem is betaald. Ook heeft [medeverdachte 4] verklaard dat het geld was van zijn bedrijf. [28]
In het KvK-uittreksel van [bedrijf 4] van 27 juli 2022 staat dat tussen 1 augustus 2017 tot en met 11 februari 2021 [medeverdachte 3] eigenaar was van [bedrijf 4] . [29]
Tot slot heeft ‘ [e-mailadres] ’ op 13 juni 2022 een e-mail gestuurd naar de Belastingdienst/FIOD, met als bijlage een factuur gedateerd 5 januari 2022, op naam van verdachte en gericht aan [bedrijf 2] . De factuur vermeldt een verkoopbedrag van
€ 35.100,-- voor de twee verkochte apparaten. [30]
De overwegingen van de rechtbank
Feit 1
Met betrekking tot de rooktabak
Op grond van de weergegeven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de in Deventer en Emmeloord aangetroffen 1.441,5 kilogram tabak – mede op basis van de prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van 6 april 2017, zaak C-638/15 (Eko Tabak-arrest) – kan worden aangemerkt als “rooktabak” en dus aan accijnsheffing onderhevig is. Ook stelt de rechtbank vast dat door het ontbreken van accijnszegels op de aangetroffen tabak deze niet in overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing was betrokken en dat op de adressen [adres 1] en de [adres 2] , unit [nummer] geen vergunninghouder was gevestigd die tabaksproducten voorhanden mocht hebben of mocht bewerken.
Met betrekking tot de toerekening van de gedragingen aan verdachte
De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan haar kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon.
Van een gedraging verricht in de sfeer van de rechtspersoon kan onder meer relevant zijn of het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienst-betrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
[medeverdachte 4] heeft tijdens zijn verhoor bij de Belastingdienst/FIOD verklaard dat [medeverdachte 3] sinds 1 juni 2021 volledig bestuurder en feitelijk leidinggevende is van verdachte en dat hij degene is die vanaf dat moment de beslissingen heeft genomen in het kader van de onderneming. [medeverdachte 4] omschrijft zichzelf als een ‘gewone medewerker’. [31]
De rechtbank leidt hieruit af dat naar de mening van [medeverdachte 4] niet hij, maar [medeverdachte 3] moet worden beschouwd als degene die verantwoordelijk is voor het handelen van verdachte.
Uit het KvK-uittreksel van verdachte van 7 november 2022 blijkt dat [medeverdachte 3] op 1 juni 2021 in functie is getreden als bestuurder van verdachte. De registratie daarvan heeft pas op 26 oktober 2022 plaatsgevonden. [medeverdachte 4] stond blijkens het KvK-uittreksel vanaf
1 november 2018 ingeschreven als enig aandeelhouder van verdachte. [32]
Op de vraag waarom de registratie van [medeverdachte 3] als bestuurder pas op 26 oktober 2022 heeft plaatsgevonden, heeft [medeverdachte 4] verklaard daar geen problemen in te zien, dat de omstandigheden dit zo hebben gedaan en dat dit hele normale zaken zijn. [33]
Uit het KvK-uittreksel van [verdachte] B.V. van 1 mei 2023 blijkt dat [medeverdachte 3] op
10 juni 2021 uit functie is getreden als bestuurder. [34]
De rechtbank leidt uit de weergegeven KvK-gegevens af dat [medeverdachte 3] op 26 oktober 2021 met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2021 is geregistreerd als bestuurder van verdachte en deze functie slechts tien dagen heeft bekleed. Daarna is verdachte een periode actief geweest zonder ingeschreven bestuurder, waaronder op 11 mei 2022, de pleegdatum van de ten laste gelegde feiten.
Uit de KvK-gegevens blijkt tevens dat [medeverdachte 4] op 11 mei 2022 stond ingeschreven als enig aandeelhouder van verdachte.
De rechtbank leidt uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden af dat [medeverdachte 4] degene is geweest die op naam van verdachte de tabak heeft gekocht en verkocht. Over de verkoopfactuur op naam van [bedrijf 2] heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij deze factuur vanuit zijn bedrijf heeft verstuurd. De factuur staat op naam van verdachte. Ook volgt uit een schriftelijke en door [medeverdachte 4] ondertekende verklaring dat hij zichzelf bestuurder van verdachte noemt. Daarnaast heeft [medeverdachte 4] de betaling van de verkochte tabak in cash ontvangen en hij heeft verklaard dat dit geld van zijn bedrijf is.
Tot slot heeft [medeverdachte 2] verklaard dat verdachte het uitzendbureau van [medeverdachte 4] is.
Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 4] op 11 mei 2022 kan worden aangemerkt als degene die het feitelijk voor het zeggen had binnen de onderneming met betrekking tot de aan- en verkoop van de partij tabak. De door [medeverdachte 4] afgelegde verklaring – inhoudende dat [medeverdachte 3] vanaf 1 juni 2021 verantwoordelijk is voor verdachte – stelt de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.
De koop en verkoop van de tabak is aldus verricht door iemand die werkzaam was ten behoeve van verdachte. Het verhandelen van deze tabak is verdachte dienstig geweest, nu op de tabak een winst van € 26.845,-- is behaald, terwijl een bedrag van in totaal € 231.951,-- aan accijns niet is afgedragen.
Het verhandelen van onveraccijnsde tabak is naar het oordeel van de rechtbank in de sfeer van verdachte verricht en kan in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte de tabak voorhanden heeft gehad in de zin van de Wet op de accijns. Tot slot dient de vraag te worden beantwoord of verdachte opzettelijk heeft gehandeld.
Voorhanden hebben
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij de onveraccijnsde rooktabak voorhanden heeft gehad als bedoeld in artikel 5, eerste lid onder b, van de Wet op de accijns.
Op grond van artikel 5 lid 1 onder b van de Wet op de accijns is het niet toegestaan om accijnsgoederen voorhanden te hebben die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken. Het begrip voorhanden hebben moet Unierechtelijk worden uitgelegd, omdat de Wet op de accijns een implementatie is van een EG-richtlijn. Die uitleg is ruimer dan in het gewone spraakgebruik. Niet alleen de persoon die de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar ook enig ander persoon die bij het voorhanden hebben betrokken is kan worden aangemerkt als degene die accijnsgoederen voorhanden heeft. [35] Niet vereist is dat de persoon die de accijnsgoederen voorhanden had wist of redelijkerwijs had moeten weten dat voor die goederen accijns was verschuldigd. [36]
Uit de weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat de tabak is gekocht op naam van verdachte en is verkocht op naam van verdachte aan het bedrijf [bedrijf 2] in Turkije. De tabak zou via Nederland worden vervoerd naar Turkije. In afwachting van dit transport, lag de tabak opgeslagen in Deventer en Emmeloord.
Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de onveraccijnsde tabak voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen in de zin van artikel 5, eerste lid onder b, van de Wet op de accijns.
Opzet
Tot slot ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte de onveraccijnsde tabak opzettelijk voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen. Daarvoor is op zijn minst vereist dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat op de locaties in Deventer en Emmeloord tabak voorhanden was en lag opgeslagen die niet in de accijns was betrokken (
voorwaardelijk opzet). De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Op de vraag of [medeverdachte 4] , als enig aandeelhouder van verdachte op het moment van de aan- en verkoop van de tabak en degene die het feitelijk voor het zeggen had binnen de onderneming, accijns heeft betaald over de op naam van verdachte gekochte tabak, heeft hij verklaard dat hij de belasting van Italië heeft betaald en dat hij ‘hier’ (de rechtbank begrijpt: in Nederland) belasting betaalt als hij het hier gaat verkopen. Op de vraag of hij op de hoogte is van de Nederlandse accijnswetgeving verklaart hij dat hij niets afweet van het afdragen van accijns. Hij deed ‘puur’ het transport en dit transport was de eerste keer. [37]
Uit het KVK-uittreksel van 1 mei 2023 blijkt dat vanaf 1 januari 2020 de bedrijfsactiviteiten van verdachte worden omschreven als “het verlenen van diensten omtrent transport van goederen, onder andere meubels en kleding. Groothandel in computers en laptops.” [38] Gelet op de omschreven bedrijfsactiviteiten, kan het verhandelen van tabak door verdachte worden aangemerkt als ongebruikelijk.
Uit de verklaring van [medeverdachte 2] , boekhouder van verdachte, leidt de rechtbank af dat verdachte zich eerder bezig hield met het regelen van personeel voor andere bedrijven. Hierna is verdachte in de handel van tabak gegaan en koopt zij tabak in om dit vervolgens weer door te verkopen.
Gelet op de verklaring van [medeverdachte 2] , het feit dat [medeverdachte 4] op naam van verdachte tabak in- en verkoopt en niet alleen maar het transport verricht, dat verdachte een partij tabak heeft gekocht van [bedrijf 1] . voor een bedrag van € 9.660,--, dat op deze specifieke partij tabak een winstmarge van € 26.845,-- is behaald en het feit dat de in- en verkoop van de tabak op naam van verdachte een hoogst ongebruikelijke bedrijfsactiviteit is, maakt dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de in Deventer en Emmeloord aangetroffen tabak niet in de heffing van de accijns was betrokken. De verklaring van [medeverdachte 4] dat dit het eerste transport op naam van verdachte was en dat hij niks afwist van wetgeving met betrekking tot de accijns, stelt de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk de onveraccijnsde tabak in Deventer en Emmeloord voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 mei 2022 opzettelijk 1.441,5 kilogram onveraccijnsde tabak in Deventer en Emmeloord voorhanden heeft gehad en heeft opgeslagen.
Feit 2
Op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat op 11 mei 2022 in het bedrijfspand aan de [adres 1] twee tabaks-productieapparaten zijn aangetroffen, waarvoor geen accijnsvergunning was afgegeven.
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij bij een Pools bedrijf een brander en versnipperaar heeft gekocht en dat hij niet wist dat de machines voor tabak werden gebruikt.
Op grond van de weergegeven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat beide apparaten door [medeverdachte 4] op naam van verdachte zijn gekocht bij een Pools bedrijf. Dit bedrijf houdt zich bezig met de verkoop van tabaksproductieapparaten. Beide apparaten zijn aangetroffen in hetzelfde bedrijfspand waar ook een deel van de op naam van verdachte aangekochte, onveraccijnsde tabak is aangetroffen.
In de droogtrommel zijn resten van tabak aangetroffen. Zowel de apparaten als de tabak waren op naam van verdachte verkocht aan dezelfde onderneming, [bedrijf 2] . De apparaten en de tabak zouden gezamenlijk naar Turkije worden vervoerd.
Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 4] wist dan wel redelijkerwijs kon weten dat de snijmachine en droogtrommel tabaksproductieapparaten waren, die zonder dat daartoe een vergunning was verleend bestemd waren om te worden gebruikt tot het ontduiken van accijns. [medeverdachte 4] ’s verklaring dat hij niet wist dat de machines gebruikt werden voor (de verwerking van) tabak, stelt de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.
Bovenstaande strafbare gedraging is naar het oordeel van de rechtbank verricht in de sfeer van verdachte, nu uit de feiten en omstandigheden volgt dat de tabaksproductiemachines zijn gekocht en verkocht door iemand die werkzaam is ten behoeve van verdachte, te weten [medeverdachte 4] , en verdachte dienstig zijn geweest, nu op de tabaksproductieapparaten een winstmarge van € 16.000,-- is behaald.
Verdachte kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als pleger van het ten laste gelegde feit.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte twee tabaksproductie-apparaten voorhanden heeft gehad, zonder een daartoe strekkende vergunning, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs kon weten dat de tabaksproductieapparaten werden gebruikt tot de ontduiking van accijns.
Met betrekking tot het medeplegen van beide ten laste gelegde feiten
De rechtbank is op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte en medeverdachten op een nauwe en bewuste wijze hebben samengewerkt bij de ten laste gelegde feiten.
Zowel de tabak als de tabaksproductieapparaten zijn door [medeverdachte 4] via de contactpersoon [medeverdachte 3] op naam van verdachte gekocht en verkocht en [medeverdachte 3] was erbij toen [medeverdachte 4] de machines heeft besteld. Zij zouden gezamenlijk via Nederland naar [bedrijf 2] in Turkije worden vervoerd. [medeverdachte 3] zou het verdere transport van de tabak en machines naar Turkije regelen. In afwachting van dit transport zijn de tabaksproductieapparaten en een deel van de tabak opgeslagen in een bedrijfspand van [medeverdachte 1] , die de machines zou demonteren. In overleg met [medeverdachte 4] heeft [medeverdachte 2] bemiddeld bij het regelen van een opslagruimte voor verdachte voor het opslaan van de goederen.
Gelet hierop acht de rechtbank de betrokkenheid van verdachte van voldoende gewicht om haar aan te merken als medepleger van zowel het voorhanden en in opslag hebben van de onveraccijnsde tabak, als het voorhanden hebben van de twee tabaksproductiemachines.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
zij op 11 mei 2022 te Deventer en Emmeloord,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk een grote hoeveelheid accijnsgoederen, te weten 1.441,5 kilogram rooktabak voorhanden en in opslag heeft gehad,
terwijl die accijnsgoederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken;
2.
zij op 11 mei 2022 te Deventer,
tezamen en in vereniging met anderen,
twee tabaksproductieapparaten, te weten een snijmachine en een droogtrommel voorhanden heeft gehad,
zonder een daartoe strekkende vergunning van de inspecteur te hebben verkregen,
zulks terwijl zij, verdachte, en haar mededaders, wisten en/of redelijkerwijs konden weten dat de tabaksproductieapparaten bestemd waren om te worden gebruikt tot ontduiking van de accijns.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 5 van de Wet op de accijns, in samenhang met artikel 97 van de Wet op de accijns, artikel 90a van de Wet op de accijns, in samenhang met artikel 99 van de Wet op de accijns, en de artikelen 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf:
medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 90a van de Wet op de accijns opgenomen verbod, terwijl hij weet (of redelijkerwijs kon weten) dat het tabaksproductieapparaat bestemd is of zal worden bestemd om te worden gebruikt tot ontduiking van de accijns, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 75.000,-- waarvan € 25.000,-- voorwaardelijk, gekoppeld aan een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De wettelijk vertegenwoordiger van verdachte heeft over een eventuele strafoplegging geen standpunt ingenomen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de bedrijfsmatige omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en opslaan van een grote hoeveelheid onveraccijnsde tabak en het voorhanden hebben van twee tabaksproductieapparaten. Het voorhanden hebben van deze goederen verstoort de reguliere markt voor tabakswaren, de economische ordening en het fiscale systeem van Nederland. Illegale tabaksproducten worden vaak verkocht voor een prijs die ver onder de reguliere prijs voor zulke producten ligt. Hiermee ontduikt verdachte de accijnsverplichting die op deze producten van toepassing is en ontstaat ten onrechte een significant concurrentievoordeel. Het nadeel voor de Nederlandse staat door het niet afdragen van de verschuldigde accijns op de tabak is vastgesteld op € 231.951,--.
Tot slot heeft het handelen van verdachte een negatieve invloed op het anti-rookbeleid van de Nederlandse overheid. Met de handel in illegale tabaksproducten wordt dit beleid ondermijnd, nu prijsverhogingen door heffingen en accijns worden ontweken. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.
De bedrijfsmatige omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 14 maart 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De op te leggen straf
Gelet op de rol van verdachte in het geheel van feiten en omstandigheden en de hoeveelheid aangetroffen tabak evenals tabaksproductieapparaten, is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke geldboete passend zou zijn.
De rechtbank stelt echter ook vast dat verdachte op dit moment een andere eigenaar en bestuurder heeft dan ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Van de nieuwe eigenaar is niet gebleken die hij op enigerlei wijze betrokken is geweest bij deze feiten. Om deze reden, en rekening houdend met het feit dat aan de (ten tijde van de bewezenverklaarde feiten) feitelijk leidinggevende van verdachte een onvoorwaardelijke straf is opgelegd, zal de rechtbank aan verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete opleggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke geldboete van € 50.000,--, gekoppeld aan een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 57 Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
feit 2
het misdrijf:
medeplegen van het opzettelijk overtreden van een in artikel 90a van de Wet op de accijns opgenomen verbod, terwijl hij weet (of redelijkerwijs kon weten) dat het tabaksproductieapparaat bestemd is of zal worden bestemd om te worden gebruikt tot ontduiking van de accijns, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot betaling van
een geldboete van € 50.000,-- (zegge: vijftigduizend euro);
- bepaalt dat deze geldboete
in haar geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte zich voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarenschuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. R.P. van Campen en
mr. L. Kesteloo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Bruin, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2025.
Buiten staat
Mr. R.P. van Campen en mr. L. Kesteloo zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD met nummer 71587/onderzoek Coates. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek inbeslaggenomen tabak van 24 maart 2023, AMB-005, p. 167, en het proces-verbaal van Forensische Onderzoek – Plaats delict onderzoek [adres 1] ,
3.Het proces-verbaal van Forensische Onderzoek – Plaats delict onderzoek [adres 1] ,
4.Het proces-verbaal Fotodossier " [adres 1] ", IBN-001-04, p. 201 t/m 281, zoals beschreven door verbalisanten in IBN-001-03, p. 195 t/m 200, en waargenomen door de rechtbank en besproken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
5.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-026, inhoudende een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 27 juni 2022, p. 426, vijfde alinea.
6.Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek inbeslaggenomen tabak van 24 maart 2023, AMB-005, p. 167, in samenhang met een proces-verbaal doorzoeking Object B, [adres 2] van 19 mei 2022, IBN-002-01, p. 325 en 326.
7.Een proces-verbaal van bevindingen Forensisch Onderzoek - Monstername en onderzoek aan goederen locatie Emmeloord van 30 mei 2022, IBN-002-02, p. 328 en 329, en het proces-verbaal zaaksdossier van 18 april 2023, ZD-001, p. 79, derde alinea.
8.Het proces-verbaal Fotodossier "Goederen locatie Emmeloord", IBN-002-03, p. 330 t/m 349, zoals beschreven door verbalisanten in IBN-002-01, p. 325 en 326 en waargenomen door de rechtbank en besproken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
9.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-026, inhoudende een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 27 juni 2022, p. 426, vijfde alinea.
10.Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek inbeslaggenomen tabak van 24 maart 2023, AMB-005, p. 177.
11.Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek inbeslaggenomen tabak van 24 maart 2023, AMB-005, p. 177, in samenhang met een proces-verbaal onderzoek Douane Laboratorium van 8 juli 2022, IBN-002-04, p. 350 t/m 354 en schriftelijk bescheid met documentcode DOC-042, p. 451, 452, 457 t/m 462.
12.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-055, p. 492.
13.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-056, p. 493.
14.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] van 2 december 2022, V-004-01, p. 61, eerste alinea, en p. 62, een na laatste en laatste alinea, in samenhang met een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-020, p. 417 en 418 en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-014, p. 402.
15.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] van 2 december 2022, V-004-01, p. 63, vanaf de twee na laatste alinea, en p. 64, eerste t/m zesde alinea, p. 65, laatste alinea en p. 66, eerste alinea, in samenhang met een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-018, p. 411.
16.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] van 2 december 2022, V-004-01, p. 61, laatste alinea.
17.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] van 2 december 2022, V-004-01, p. 61, laatste alinea en p. 64, vijfde en twee na laatste alinea, in samenhang met een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-031.
18.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] van 21 juni 2022, V-002-01, p. 44, zesde alinea, 45 en 46.
19.Een proces-verbaal inzake de doorzoeking van het pand gelegen aan de [adres 1] , IBN-001-01, p. 188 t/m 190.
20.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-006, een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-048, een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-007 en een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-049, zoals beschreven door verbalisanten in IBN-001-03, p. 195 t/m 200, en waargenomen door de rechtbank en besproken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
21.Het proces-verbaal van Forensische Onderzoek – Plaats delict onderzoek [adres 1] ,
22.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-026, inhoudende een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant E. Wolthof van 27 juni 2022, derde alinea p. 426 en Zaaksdossier ZD-001 p. 80 vijfde alinea.
23.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] van 24 mei 2022, V-001-01, p. 41, eerste en tweede alinea.
24.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] van 2 december 2022, V-004-01, p. 67, twee na laatste alinea, en p. 68, vijfde alinea, in samenhang met een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-021, p. 419.
25.Het proces-verbaal van bevindingen inbeslaggenomen machines, AMB-006, p. 179 t/m 185.
26.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-017, p. 409.
27.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-017, p. 408.
28.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] van 2 december 2022, V-004-01, p. 64, derde en zevende alinea.
29.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-035, p. 440 t/m 442.
30.Het proces-verbaal van bevindingen inbeslaggenomen machines, AMB-006, p. 184 en 185, in samenhang met een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-018, p. 412.
31.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] van 2 december 2022, V-004-01, p. 58 en 59.
32.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-043, p. 467 en 468.
33.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] van 2 december 2022, V-004-01, p. 58.
34.Het KvK-uittreksel van ‘ [verdachte] B.V.’ van 1 mei 2023, als aanvullend stuk aan het dossier toegevoegd.
35.Gerechtshof ’s Hertogenbosch 2 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2140, r.o. C; Richtlijn 2008/118/EG.
36.Hof van Justitie van de Europese Unie 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:473, r.o. 28.
37.Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] van 2 december 2022, V-004-01, p. 69, een na laatste en laatste alinea, en p. 70, eerste en tweede alinea.
38.Een schriftelijk bescheid met documentcode DOC-019, p. 415.