ECLI:NL:RBOVE:2025:5082

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
1 augustus 2025
Zaaknummer
11750400 \ CV EXPL 25-1883
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over achterstallig loon en arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever

In deze zaak vordert eiser in kort geding dat SCN wordt veroordeeld tot betaling van zijn achterstallige loon. Eiser stelt dat hij een arbeidsovereenkomst heeft met SCN, terwijl SCN betwist dat er nog een arbeidsovereenkomst bestaat. De kantonrechter wijst de vorderingen tegen SCN af, omdat niet aannemelijk is dat eiser nog in dienst is bij SCN. Eiser heeft sinds maart 2025 geen salaris meer ontvangen, wat een spoedeisend belang creëert. De kantonrechter oordeelt dat SCN aannemelijk heeft gemaakt dat eiser sinds 1 juli 2023 in dienst is bij ITE, en dat de arbeidsovereenkomst met SCN is geëindigd. De vorderingen tegen ITE worden grotendeels toegewezen, omdat ITE als werkgever gehouden is het achterstallige salaris te betalen. De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser tegen SCN af en veroordeelt ITE tot betaling van het achterstallige loon en de wettelijke verhoging, evenals de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11750400 \ CV EXPL 25-1883
Vonnis in kort geding van 25 juli 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. E. Baldan,
tegen

1.SOLAR CENTRUM NEDERLAND B.V.,

te Deventer,
hierna te noemen: SCN,
gemachtigde: mr. A. Hurenkamp,
2.
INSTALLATIE TECHNIEK EUROPA B.V.,
te Hoogvliet Rotterdam,
hierna te noemen ITE,
niet verschenen,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (1-12)
- de producties van SCN (1-8)
- de e-mail van ITE waarin wordt aangegeven dat ITE niet in de procedure zal verschijnen
- de verstekverlening tegen ITE
- de mondelinge behandeling van 11 juli 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de pleitnota van SCN.
Samenvatting
[eiser] vordert in dit kort geding dat SCN wordt veroordeeld zijn (achterstallige) loon te betalen, primair omdat hij een arbeidsovereenkomst stelt te hebben met SCN en subsidiair omdat SCN onrechtmatig zou hebben gehandeld. De kantonrechter wijst de vorderingen af, omdat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] (nog) een arbeidsovereenkomst heeft met SCN en ook niet aannemelijk is geworden dat SCN onrechtmatig heeft gehandeld.
De vorderingen die [eiser] heeft ingesteld tegen ITE worden grotendeels toegewezen.

2.De feiten

2.1.
Per 1 mei 2023 is [eiser] in dienst getreden bij SCN als hoofdmonteur van zonnepanelen.
2.2.
Bestuurders van SCN zijn [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. Enig bestuurder van [bedrijf 1] B.V. is [naam 1] (hierna: [naam 1]) en enig bestuurder van [bedrijf 2] B.V. is [naam 1] (hierna: [naam 1]).
2.3.
Op 22 juni 2023 hebben [naam 1] en [naam 1] middels hun holdings ITE opgericht. Hun holdings waren aanvankelijk bestuurder en aandeelhouder van ITE. Met ingang van 1 juli 2023 heeft ITE maandelijks het salaris van [eiser] uitbetaald.
2.4.
Op 4 december 2024 heeft [eiser] een ernstig bedrijfsongeval gehad en is hij arbeidsongeschikt geraakt.
2.5.
Op 10 februari 2025 hebben [naam 1] en [naam 1] de aandelen in ITE overgedragen aan [naam 2] (hierna: [naam 2]) en is [naam 2] aangetreden als bestuurder van ITE.
2.6.
Vanaf maart 2025 heeft [eiser] geen salaris meer ontvangen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Primair en subsidiair SCN en meer subsidiair ITE te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.123,65 per maand sinds maart 2025 tot aan heden ten aanzien van het achterstallig loon met overlegging van loonstroken;
II. Primair en subsidiair SCN en meer subsidiair ITE te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.685,48 bruto inzake wettelijke verhoging;
III. Primair en subsidiair SCN en meer subsidiair ITE te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ten minste € 915,57 aan buitengerechtelijke incassokosten;
IV. Primair en subsidiair SCN en meer subsidiair ITE te veroordelen om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente vanaf 1 april 2025 voor het loon over maart 2025 en de rente vanaf 1 mei 2025 voor het loon van april 2025 tot aan de dag van algehele voldoening, althans, subsidiair, wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele vergoeding;
V. Primair en subsidiair SCN en meer subsidiair ITE te veroordelen tot het uitbetalen van het verschuldigde loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt;
VI. Primair en subsidiair SCN en meer subsidiair ITE te veroordelen in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, en - voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de hiervoor gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de bedoelde termijn tot de dag van de algehele voldoening;
VII. en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.
3.2.
[eiser] legt primair aan de vorderingen ten grondslag dat hij een arbeidsovereenkomst heeft met SCN en dat SCN daarom op grond van artikel 7:623 BW gehouden is zijn (achterstallige) loon te betalen. Subsidiair heeft [eiser] zijn vorderingen gebaseerd op onrechtmatig handelen, omdat SCN volgens hem met een vooropgezet plan haar personeel heeft laten uitbetalen door ITE en vervolgens ITE heeft verkocht aan een katvanger om geen verplichtingen meer tegenover het personeel te hebben. Ten aanzien van zijn (meest subsidiaire) vorderingen tegenover ITE heeft [eiser] gesteld dat ITE als werkgever op grond van artikel 7:623 BW gehouden is het (achterstallige) salaris aan [eiser] te voldoen.
3.3.
SCN voert verweer. SCN concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
SCN betwist dat zij een arbeidsovereenkomst heeft met [eiser]. Zij voert aan dat [eiser] op 30 juni 2023 een arbeidsovereenkomst met ITE heeft getekend. Vanaf dat moment betaalde ITE het salaris van [eiser] en was [eiser] niet meer in dienst van SCN. De bestuurders van SCN hadden ITE opgericht zodat zij daarin de bij haar werkzame monteurs kon onderbrengen. Vervolgens huurde SCN ITE in voor het uitvoeren van installatiewerkzaamheden ten behoeve van door SCN verkochte projecten en opdrachten. SCN voert aan dat zij vanaf 1 juli 2023 geen loon meer aan [eiser] heeft betaald, geen personeelsverantwoordelijkheid heeft gedragen en geen arbeidsgezag in arbeidsrechtelijke zin meer heeft uitgeoefend. Ook van onrechtmatig handelen is volgens SCN geen sprake. Volgens haar is de gekozen structuur, waarbij ITE als een aparte entiteit installatiewerkzaamheden verrichtte, volkomen legitiem en bedrijfseconomisch verantwoord. Daarbij betwist zij dat ITE is verkocht als reactie op het arbeidsongeval van SCN; de verkoop was volgens haar al rond voordat het bedrijfsongeval plaatsvond.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ten aanzien van SCN
4.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de kantonrechter vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor SCN als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
4.2.
[eiser] heeft sinds maart 2025 geen loon meer ontvangen. Hiermee heeft hij gelet op de aard van de vorderingen een spoedeisend belang.
Geen arbeidsovereenkomst met SCN
4.3.
Primair moet beoordeeld worden of in het kader van dit kort geding aannemelijk is geworden dat [eiser] een arbeidsovereenkomst heeft met SCN. Artikel 7:610 BW bepaalt dat een arbeidsovereenkomst een overeenkomst is waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de ander partij, de werkgever, tegen loon gedurende een zekere tijd arbeid te verrichten.
4.4.
Vast staat dat [eiser] en SCN in april 2023 een arbeidsovereenkomst hebben ondertekend. SCN heeft echter aannemelijk gemaakt dat [eiser] vanaf 1 juli 2023 in dienst is getreden bij ITE en dat de arbeidsovereenkomst met SCN toen is geëindigd. SCN heeft in dit verband een kopie overgelegd van een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en ITE waarbij zowel bij het vakje van ITE als bij het vakje van SCN een handtekening staat. [eiser] betwist weliswaar dat die handtekening van hem is, maar hij heeft niet betwist dat hij sinds 1 juli 2023 zijn salaris heeft ontvangen van ITE. Dit volgt ook uit de door partijen overgelegde salarisstroken.
4.5.
[eiser] heeft aangevoerd dat hij vóór zijn arbeidsongeval alleen maar werkzaamheden verrichte voor SCN, altijd in kleding van SCN en dat hij ook op de website van SCN stond vermeld als medewerker van SCN. Daarnaast liepen declaraties volgens hem via SCN en werden tikkies die hij stuurde betaald door SCN. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zijn deze omstandigheden onvoldoende om hieruit af te leiden dat [eiser] zijn werkzaamheden in dienst van SCN verrichtte. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat volgens SCN [eiser], net als de andere monteurs, door haar werd ingehuurd van ITE. Daarbij is het niet ongebruikelijk dat werkkleding van de inhurende partij wordt gedragen en dat operationele zaken worden afgehandeld door de inhurende partij. Voor zover [eiser] met de door hem overgelegde Whats App-conversaties met [naam 1] heeft willen aantonen dat hij onder gezag stond van SCN merkt de kantonrechter verder op dat [naam 1] ook (indirect) bestuurder was van ITE en dat niet duidelijk is in welke hoedanigheid [naam 1] de betreffende berichten heeft verstuurd.
4.6.
[eiser] heeft geen andere omstandigheden aangevoerd waaruit het bestaan van een arbeidsovereenkomst met SCN kan worden afgeleid. In dit kort geding is dan ook niet zodanig aannemelijk geworden dat hier sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en SCN dat het verantwoord is om, vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure, het primair gevorderde toe te wijzen.
Geen onrechtmatig handelen
4.7.
[eiser] heeft de subsidiaire vordering gegrond op onrechtmatig handelen van SCN. In dit verband heeft hij aangevoerd dat:
- SCN en ITE feitelijk één onderneming waren;
- ITE uitsluitend is verkocht en geleverd om van de loondoorbetalingsverplichtingen ten aanzien van [eiser] af te komen.
4.8.
[eiser] heeft genoemd dat hij een beroep doet op misbruik van identiteitsverschil tussen SCN en ITE, dan wel op vereenzelviging. Voor de vraag of er sprake is van misbruik van identiteitsverschil of grond bestaat voor vereenzelviging van rechtspersonen is het Rainbow-arrest van de Hoge Raad richtinggevend (ECLI:NL:HR:2000:AA7480). Een persoon die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee (of meer) rechtspersonen kan onrechtmatig handelen door misbruik te maken van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen of tussen hemzelf en die rechtspersonen als hij zodanig misbruik heeft beoogd. Deze onrechtmatige gedraging verplicht zowel de persoon met zeggenschap als de betrokken rechtspersonen tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan dit misbruik door de persoon met zeggenschap zo ernstig zijn dat vereenzelviging van de betrokken (rechts)personen kan dienen als de meest aangewezen vorm van verhaal. De maatstaf voor vereenzelviging wordt in de rechtspraak strikt en slechts bij uitzondering toegepast.
4.9.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat zich hier zodanige uitzonderlijke feiten en omstandigheden hebben voorgedaan dat die op zichzelf en in onderlinge samenhang gezien tot de conclusie kunnen leiden dat er sprake is van misbruik van identiteitsverschil door SCN, laat staan dat dit misbruik zo ernstig is dat toepassing van het leerstuk van vereenzelviging gerechtvaardigd zou zijn. Dat, zoals [eiser] heeft aangevoerd, de aandeelhouders/bestuurders van SCN ook de volledige zeggenschap en eigendom hadden in ITE en tegelijk ook de begunstigden waren van ITE en de betalingen vanuit ITE verrichten, is daarvoor onvoldoende. SCN heeft in dit verband naar voren gebracht dat ITE op advies van de accountant en het Pensioen Fonds Metaaltechniek als aparte entiteit voor de installatiewerkzaamheden is opgericht en dat daarin de monteurs die eerst bij SCN in dienst waren zijn ondergebracht. Dit acht de kantonrechter op voorhand niet onaannemelijk of ongebruikelijk.
4.10.
Ook is onvoldoende aannemelijk dat ITE enkel is verkocht om onder de loondoorbetalingsverplichtingen ten aanzien van [eiser] uit te komen. Uit de door SCN overgelegde correspondentie met de koper van ITE kan worden opgemaakt dat de onderhandelingen over de verkoop van ITE al vóór het arbeidsongeval van [eiser] waren gestart en afgerond. SCN heeft toegelicht dat de monteurs die bij ITE in dienst waren voorafgaand aan de levering van de aandelen in februari 2025 allemaal elders zijn gaan werken, zodat op het moment van overdracht alleen nog [eiser] in dienst was van ITE. De kantonrechter stelt buiten twijfel dat hiermee voor [eiser] een zeer wrange situatie is ontstaan, nu ITE nadien geen loon meer aan [eiser] heeft uitbetaald. De kantonrechter kan hieruit echter niet afleiden dat SCN hierin onrechtmatig heeft gehandeld.
Proceskosten
4.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SCN worden begroot op:
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
949,00
Ten aanzien van ITE
4.12.
Het meer subsidiair gevorderde richt zich tegen ITE. Tegen ITE is verstek verleend. Omdat het gevorderde de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt zal dit, met uitzondering van het navolgende, ex artikel 139 Rv worden toegewezen. Gelet op de omstandigheid dat SCN wel is verschenen zal dit vonnis als een vonnis op tegenspraak worden beschouwd. Dat volgt uit artikel 140, tweede lid, Rv.
4.13.
Onder III. heeft [eiser] een bedrag van € 915,57 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [eiser] heeft in het geheel niet gesteld dat buitgerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, zodat deze vordering zal worden afgewezen.
4.14.
ITE is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
912,47
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
ten aanzien van SCN
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
ten aanzien van ITE
5.4.
veroordeelt ITE om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.123,65 per maand sinds maart 2025 tot aan heden ten aanzien van het achterstallig loon met overlegging van loonstroken,
5.5.
veroordeelt ITE om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.685,48 bruto inzake wettelijke verhoging,
5.6.
veroordeelt ITE om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente vanaf 1 april 2025 voor het loon over maart 2025 en de rente vanaf 1 mei 2025 voor het loon van april 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,
5.7.
veroordeelt ITE tot het uitbetalen van het verschuldigde loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt,
5.8.
veroordeelt ITE in de proceskosten van € 912,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als ITE niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.9.
veroordeelt ITE in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.10.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op
25 juli 2025