3.4.1Feiten en omstandigheden
De politie heeft naar aanleiding van de aangifte van [naam 1] financieel onderzoek verricht, gericht op – voor zover relevant voor de ten laste gelegde feiten – de volgende drie onderdelen:
onderzoek naar de gegevens van de vijf online webshops waar de meeste goederen voor privégebruik zijn gekocht, betaald vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 1] BV;
onderzoek naar de overboekingen van de bankrekening van [bedrijf 1] BV naar de bankrekeningen van verdachte en haar twee kinderen;
onderzoek naar de contante geldstromen van verdachte aan de hand van een eenvoudige kasopstelling.
- Er zijn bij [internetsite 1] en [internetsite 2] op naam van verdachte in de periode van 6 oktober 2014 tot en met 4 december 2018 in totaal respectievelijk 151 goederen voor een bedrag van
€ 4.361,57 en 42 goederen voor een bedrag van € 729,68 besteld en betaald vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 1] BV. Het gaat om goederen die geen verband houden met de bedrijfsvoering van aangever, zoals kookboeken, reisgidsen, hardloopschoenen, beddengoed, TomTom accessoires, staafmixers en schoonmaakspullen (waaronder wasdrogerballen). De levering van de betreffende goederen vond voornamelijk plaats op het toenmalige woonadres van verdachte, te weten de [adres 2] .
- Er is bij [bedrijf 3] op naam van verdachte in de periode van 13 april 2017 tot en met 7 december 2018 voor een bedrag van in totaal € 4.512,97 aan goederen besteld en betaald vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 1] BV. De bestelde goederen betreffen hoofdzakelijk kleding en houden geen verband met de bedrijfsvoering van aangever. Ook de levering van die goederen vond voornamelijk plaats op het toenmalige woonadres van verdachte.
- Er is bij [bedrijf 4] op naam van verdachte in de periode van 24 november 2014 tot en met 27 april 2018 voor een bedrag van in totaal € 7.284,96 aan goederen besteld, waarvan
€ 3.115,06 aan [bedrijf 6] is betaald via bankrekeningen van verdachte. Van het resterende bedrag van € 4.169,90 is niet gebleken dat dit is betaald vanaf bankrekeningen van verdachte. Het gaat steeds om huishoudelijke goederen die geen verband houden met de bedrijfsvoering van [bedrijf 2] BV.
- Er zijn bij [bedrijf 5] op naam van verdachte twee bestellingen gedaan die via de bank-rekeningen van [bedrijf 1] BV betaald zijn (voor in totaal € 302,10). Die bestellingen zijn bezorgd op een DHL-afhaalpunt in Limburg.
Ad b)
De destijds minderjarige dochter en zoon van verdachte hebben geldbedragen ontvangen van de bankrekening van [bedrijf 1] BV.
Op 19 september 2016 is € 489,25 overgemaakt naar de rekening van verdachtes dochter en op 21 november 2016 is € 1.459,25 overgeboekt op de rekening van haar zoon. Deze bedragen zijn op dezelfde dag van ontvangst overgeboekt naar een rekening van verdachte.
Daarnaast heeft verdachte een bedrag van € 29.520,47 van de bankrekening van [bedrijf 1] BV op haar eigen bankrekening overgeboekt. De omschrijvingen van deze overboekingen geven geen verklaringen voor betalingen aan verdachte of haar kinderen. Daarnaast is bij meerdere overboekingen vanaf bedrijfsrekeningen van haar werkgever naar verdachte wel haar bankrekeningnummer, maar een andere naam als tenaamgestelde opgegeven. Hierdoor was niet direct zichtbaar dat er geldbedragen naar verdachte werden overgemaakt. Verder is het meerdere keren voorgekomen dat geldbedragen werden overgeboekt naar twee bankrekeningen van verdachte, waarna deze bedragen vrijwel direct zijn overgemaakt naar een andere bankrekening op haar naam. De eerste twee bankrekeningen zijn vervolgens binnen korte tijd opgeheven. De adviseur van aangever [naam 1] heeft vastgesteld dat genoemde overboekingen niet verklaarbaar zijn in het kader van de bedrijfsvoering.
Tot slot heeft verdachte op 18 januari 2016 een contante storting op haar bankrekening ontvangen die ze vervolgens naar de rekening van [bedrijf 1] BV heeft overgemaakt, onder achterhouding van € 1.000,--.
Ad c)
De politie heeft ook onderzoek gedaan naar de herkomst van het contante geld waarmee verdachte in de ten laste gelegde periode (luxe)goederen bekostigd heeft. Door de politie is een eenvoudige kasopstelling gemaakt, gebaseerd op enkel het contante geld waarover verdachte kon beschikken. Naar aanleiding van het normale pinbedrag aan het begin van de periode is het beginsaldo op € 100,-- geschat, er van uitgaande dat wie over veel contant geld beschikt, de kleine en normale bedragen niet zal pinnen. In de berekening maakt de politie melding van pinopnames van de rekening van [naam 2] , de zoon van verdachte, tot een totaalbedrag van € 10.768,05. In de onderzochte periode was de zoon 16 tot 21 jaar oud. De politie acht dit normale opnames voor een adolescent en vindt het daarom niet aannemelijk dat dit contante bedrag door of ten behoeve van verdachte is opgenomen. Het bedrag van
€ 10.768,05 is daarom niet in de kasopstelling meegenomen.
De politie heeft in de eenvoudige kasopstelling berekend dat verdachte € 74.931,75 meer contant geld heeft uitgegeven dan door middel van legale ontvangsten kan worden verklaard.
3.4.2De overwegingen van de rechtbank
3.4.2.1 Met betrekking tot feit 1
- Eerste gedachtestreepje, ad a)
De rechtbank acht bewezen dat verdachte van 1 januari 2014 tot en met 7 december 2018 telkens op haar naam goederen bij [internetsite 1] , [internetsite 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] heeft besteld en heeft betaald van de bankrekeningen van [bedrijf 1] BV. De bestelde goederen hielden geen verband met de bedrijfsvoering van [bedrijf 2] , aangezien het hoofdzakelijk kleding en huishoudelijke artikelen betroffen. Bovendien zijn de goederen vrijwel allemaal afgeleverd op het (toenmalige) woonadres van verdachte.
Dat verdachte ook bij [bedrijf 5] bestellingen voor (uitsluitend) privégebruik heeft geplaatst, zoals de officier van justitie stelt, kan de rechtbank op grond van het dossier onvoldoende vaststellen.
De verklaring van verdachte dat zij de door haar op rekening van [bedrijf 1] BV voor privégebruik bestelde goederen verrekende en de uitgaven bijhield in een schriftje, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Hetzelfde geldt voor haar verklaring dat ook andere medewerkers privéaankopen deden via de bankrekening van [bedrijf 1] BV. Aangever [naam 1] heeft verklaard dat hij nooit toestemming heeft gegeven voor het doen van privé-aankopen door verdachte of andere medewerkers via de zakelijke rekening van [bedrijf 1] BV.
Deze verklaringen van verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk geworden.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich een bedrag van € 13.774,12 wederrechtelijk heeft toegeëigend door telkens met gelden van [bedrijf 1] BV privéaankopen te doen. Deze gelden had zij uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als administratief medewerker onder zich.
Nu de rechtbank tot een lager totaalbedrag dan het bedrag in de tenlastelegging komt, zal zij dit bedrag in de bewezenverklaring aanpassen.
- Tweede gedachtestreepje, ad b)
De rechtbank acht bewezen dat verdachte een bedrag van in totaal € 31.468,97 – rechtstreeks of via tussenkomst van de rekeningen van haar destijds minderjarige kinderen – heeft over-geboekt van de bankrekening van [bedrijf 1] BV naar haar eigen bankrekeningen. Daarnaast heeft zij € 1.000,-- aan contanten van [bedrijf 1] BV op haar eigen rekening gestort.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich een bedrag van € 32.468,97 wederrechtelijk heeft toegeëigend, dat zij uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als administratief medewerker onder zich had.
Op basis van voorgaande overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 7 december 2018 bedragen van
€ 13.774,12 en € 32.468,97, toebehorende aan [bedrijf 1] BV, heeft verduisterd en dat zij deze bedragen uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als administratief medewerker onder zich had.
3.4.2.2 Met betrekking tot feit 2
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de eerste twee onder sub a en sub b opgenomen gedachtestreepjes en anderzijds het derde gedachtestreepje.
- Eerste en tweede gedachtestreepje, sub a en b
Over de geldbedragen van € 489,25 en € 1.459,25 heeft de rechtbank hiervoor geoordeeld dat verdachte deze bedragen heeft verduisterd in dienstbetrekking. Deze bedragen zijn derhalve afkomstig van eigen misdrijf.
Verdachte heeft deze bedragen van de bankrekening van [bedrijf 1] BV overgeboekt naar de bankrekening van haar destijds minderjarige kinderen en vervolgens overgemaakt naar haar eigen bankrekening.
Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat verdachte niet alleen de werkelijke aard en de herkomst van voormelde geldbedragen heeft verhuld, maar ook heeft verhuld wie de rechthebbende op die geldbedragen was, en tevens heeft verhuld wie die geldbedragen voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat deze bedragen afkomstig waren uit eigen misdrijf (sub a).
De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte voormelde geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl zij wist dat deze bedragen afkomstig waren uit eigen misdrijf (sub b).
- Derde gedachtestreepje, sub a en b
De verdediging heeft met betrekking tot de eenvoudige kasopstelling onweersproken gesteld dat van een beginsaldo van € 1.000,-- (in plaats van € 100,--) moet worden uitgegaan en dat
de contante opnamen vanaf de bankrekening van verdachtes zoon, in totaal € 10.768,05, door verdachte zijn gedaan en dus in de berekening dienen te worden meegenomen.
De rechtbank volgt de verdediging hierin en zal deze bedragen in mindering brengen op het resultaat van de kasopstelling.
De rechtbank zal derhalve uitgaan van de door de politie berekende € 74.931,75 -/- € 900,-- en € 10.768,05, waardoor verdachte in de ten laste gelegde periode over € 63.263,70 aan contant geld heeft beschikt, waarvan de herkomst onbekend was.
Op basis van het politieonderzoek kan geen rechtstreeks verband gelegd worden tussen dit bedrag van € 63.263,70 en een bepaald misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
De rechtbank dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.
Allereerst zal moeten worden vastgesteld dat de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien deze omstandigheid zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.
Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld.
Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Het feit dat contante geldbedragen worden gebruikt voor betalingen, zonder dat de herkomst van die geldbedragen uit een legale bron kunnen worden verklaard, rechtvaardigen het vermoeden dat die bedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
De rechtbank stelt in dat verband vast dat sprake is van enkele zogenoemde witwas-typologieën. Het is hoogst ongebruikelijk (en daarmee verdacht) om grote hoeveelheden contant geld voorhanden te hebben, zonder de noodzaak daartoe op grond van beroep of bedrijf. Het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld, ingeval het geld op legale wijze is verkregen, is voorts ongebruikelijk vanwege onder meer de daaraan verbonden veiligheidsrisico’s.
Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verwacht dat zij een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van voornoemd contant geldbedragen.
Verklaring verdachte bij de politie
In haar derde verhoor heeft verdachte verklaard over het contante geld. Zij verklaarde dat zij na haar scheiding in 2011 uitgekocht was en beschikte over een geldbedrag van € 50.000,-- dat zij in goud in de vorm van sieraden zou hebben geïnvesteerd. Verdachte weet niet meer bij welke juweliers zij deze heeft gekocht. Later, ook vanaf 2011, zijn er meer gouden sieraden, van haar oma, aan haar in beheer gegeven. Verdachte verklaarde dat zij de in beheer gegeven sieraden als eerste heeft verkocht. Verdachte heeft vanaf 2011 tot 2018 alle sieraden verkocht bij juweliers in Hardenberg, Maassluis, Rotterdam, Nordhorn (BRD) en Antwerpen (BE) om haar (alcohol- en koop-)verslaving te bekostigen. Verdachte kent geen personen die kunnen bevestigen dat zij over die gouden sieraden beschikte. Van de verkopen heeft verdachte, naar eigen zeggen, ongeveer € 50.000,-- in contanten ontvangen voor de eigen sieraden en € 40.000,-- tot € 60.000,-- voor de sieraden van haar oma, eveneens in contanten. Verdachte heeft geen certificaten van de sieraden en geen kwitanties van deze verkopen. Verdachte heeft verklaard dat de juweliers bij wie ze de sieraden heeft verkocht er niet meer zijn.
Toetsing van de verklaring van verdachte
De rechtbank stelt vast dat verdachte haar verklaring over de herkomst van het contante geld op geen enkele wijze heeft onderbouwd met concrete, verifieerbare gegevens. Zo kan zij niet certificaten van de sieraden en/of kwitanties van de verkopen overleggen.
De verklaring die verdachte heeft gegeven is naar het oordeel van de rechtbank bovendien ongeloofwaardig. Immers, het is niet aannemelijk dat zij geen namen weet van de juweliers in de vijf steden in Nederland, België en Duitsland waar zij zegt sieraden verkocht te hebben en is het evenmin aannemelijk dat al die juweliers niet meer zouden bestaan. Tot slot acht de rechtbank niet geloofwaardig dat al die juweliers per kas betaald hebben voor de inkoop van de sieraden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verklaring van verdachte het vermoeden van witwassen derhalve niet weerlegd, omdat die verklaring niet concreet, niet min of meer verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk is.
Nu de verklaring van verdachte niet of nauwelijks concrete en verifieerbare gegevens bevat, kan het openbaar ministerie geen nader onderzoek doen naar de, uit de verklaringen van verdachte blijkende, alternatieve herkomst van de contante gelden.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het – ondanks de verklaring van verdachte – niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 63.263,70 uit enig misdrijf afkomstig is.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van
1 januari 2014 tot en met 7 december 2018 niet alleen de werkelijke aard en de herkomst van het geldbedrag van € 63.263,70 heeft verhuld, maar ook heeft verhuld wie de rechthebbende op dat bedrag was, en tevens heeft verhuld wie dat bedrag voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat dit bedrag afkomstig was uit enig misdrijf (sub a).
De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte voormeld geldbedrag heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl zij wist dat dit bedrag afkomstig wasn uit enig misdrijf (sub b).