ECLI:NL:RBOVE:2025:526

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 januari 2025
Publicatiedatum
30 januari 2025
Zaaknummer
324899 FT RK 24.781
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub d FaillissementswetArt. 288 lid 3 FaillissementswetArt. 292 lid 3 FaillissementswetArt. 361 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing nieuw verzoek schuldsanering wegens eerdere verwijtbare beëindiging en gebrek aan nakoming

De rechtbank Overijssel behandelde op 20 januari 2025 het verzoek van de schuldenaar tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Eerder was op 4 maart 2019 een Wsnp van toepassing verklaard, maar deze werd op 21 december 2021 tussentijds beëindigd wegens structureel niet voldoen aan de inlichtingenplicht, mede door frauduleus handelen met emailberichten. Het faillissement van de schuldenaar volgde en werd op 10 mei 2022 beëindigd.

De rechtbank overwoog dat de wetgever niet heeft beoogd dat schuldenaren die binnen drie jaar na een verwijtbare beëindiging opnieuw een Wsnp verzoek indienen, al worden toegelaten. De schuldenaar maakte niet aannemelijk dat hij nu wel aan de verplichtingen, zoals de inlichtingenplicht, zal voldoen. Er is een jarenlang patroon van niet-naleving en onwaarheden, waaronder het vervalsen van documenten en het afleggen van tegenstrijdige verklaringen over zijn verblijfplaats.

De schuldenaar voerde dat hij uit angst voor bedreigingen frauduleus had gehandeld, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook de relatie en samenwoning met zijn ex-partner en kinderen bleef onduidelijk. De rechtbank concludeerde dat het verzoek moet worden afgewezen omdat het vertrouwen in de goede trouw ontbreekt en de schuldenaar onvoldoende inzicht en verantwoordelijkheid toont.

De rechtbank wees het verzoek af en wees op het recht van hoger beroep binnen de wettelijke termijn, waarbij het hoger beroep alleen door een advocaat kan worden ingesteld bij het Gerechtshof.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens eerdere verwijtbare beëindiging en gebrek aan nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Zwolle
rekestnummer: 324899 FT RK 24.781
uitspraakdatum: 20 januari 2025
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
verder [verzoeker] te noemen.
Ten aanzien van de goederen van [verzoeker] is een onderbewindstelling uitgesproken met benoeming van Loyaal Bewindvoering B.V. te Groningen tot (beschermings)bewindvoerder.

Het procesverloop

[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de (wettelijke) schuldsaneringsregeling uit te spreken.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 6 januari 2025 waarvan aantekeningen zijn gemaakt. Ter zitting zijn [verzoeker] en mevrouw [naam 1] ([naam 1]) en de heer [naam 2] van Zuidweg Schuldhulp verschenen.

De beoordeling

De feiten
Op 4 maart 2019 is de (wettelijke) schuldsaneringsregeling op [verzoeker] van toepassing verklaard. Op 21 december 2021 is de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd en is het faillissement van [verzoeker] uitgesproken. Bij arrest van 10 februari 2022 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Hof) het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het faillissement is op 10 mei 2022 door middel van vereenvoudigde afwikkeling geëindigd.
Tijdens de schuldsaneringsregeling is een verzoek tot tussentijdse beëindiging dat door
mr. S.V.M. Stevens (Guyot Advocaten te Nijmegen) voor schuldeisers [naam 3] en [naam 4] is ingediend, geweigerd. Voorafgaand aan de zitting op 6 januari 2025 heeft mr. Stevens namens dezelfde schuldeisers een verweerschrift ingediend waarin de rechtbank wordt verzocht het thans aanhangige verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af te wijzen.
De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] op 21 december 2021 tussentijds beëindigd wegens het structureel niet voldoen aan de inlichtingenplicht. De rechtbank is onder andere tot dit oordeel gekomen omdat volgens de rechtbank is gebleken dat [verzoeker] heeft gefraudeerd met emailberichten.
Volgens het Hof (arrest van 10 februari 2022) is gebleken dat [verzoeker] stelselmatig niet voldoet aan zijn inlichtingenplicht. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat er met emailberichten is geknoeid. Volgens het Hof levert het frauduleuze handelen van [verzoeker], dat volgens het Hof een patroon lijkt te zijn, een zeer ernstige schending van de inlichtingenplicht op. Daarbij komt volgens het Hof dat [verzoeker] steeds verschillende verklaringen aflegt en dat van derden verkregen informatie vaak niet overeenkomt met de informatie die [verzoeker] verschaft, hetgeen de geloofwaardigheid van [verzoeker] niet ten goede komt. Ook bestaat er nog steeds onduidelijkheid over de werkelijke verblijfplaats van [verzoeker]. Het komt het Hof ongeloofwaardig voor dat [verzoeker] in de weekenden alleen overdag bij zijn ex-vriendin en hun kinderen verblijft. Tenslotte geldt volgens het Hof dat wanneer vragen worden gesteld aan [verzoeker] deze niet tijdig of onduidelijk worden beantwoord door [verzoeker] waardoor de bewindvoerder haar toezichthoudende taak niet kan uitvoeren.
Volgens het verweerschrift van mr. Stevens heeft [verzoeker] het echtpaar [naam 3 en 4] onder valse voorwendselen overgehaald een lening van € 25.000,-- aan hem te verstrekken. Het echtpaar [naam 3 en 4] heeft een dochter genaamd [naam 5], hetgeen de moeder is van de kinderen van [verzoeker]. [verzoeker] is met [naam 4] (zijn voormalige schoonmoeder) vennoot geweest van de [naam vof]. De vof is later een eenmanszaak van [verzoeker] geworden, die is uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel met ingang van
31 augustus 2018.
[verzoeker] is gedetineerd geweest in Zweden in verband met een verdenking van drugshandel. Volgens [verzoeker] is hij ten onrechte gedetineerd geweest en heeft het Europese Hof van Justitie in verband daarmee een schadevergoeding van 1,8 miljoen euro toegekend. Ten bewijze daarvan heeft [verzoeker] volgens mr. Stevens berichten van zijn advocaat (mr. E. Visser van De Haan advocaten) en een uitspraak van het Hof van Justitie vervalst. In de verwachting dat [verzoeker] de schadevergoeding zou ontvangen, heeft het echtpaar [naam 3 en 4] de lening verstrekt.
Volgens mr. Stevens heeft [verzoeker] nog steeds een relatie met [naam 5] en is er nog immer sprake van samenwoning op het adres van [naam 5] en hun kinderen, hetgeen een ander adres is dan waarop [verzoeker] is ingeschreven.
Volgens het verzoekschrift bedraagt de totale schuldenlast € 164.012,03, waaronder een schuld aan [naam 3] en [naam 4] van € 19.142,63. In de toelichting op het verzoekschrift is vermeld dat de problematische schuldensituatie van [verzoeker] voortvloeit uit zijn ondernemingsactiviteiten in [naam vof]. Er zijn betalingsachterstanden ontstaan in de onderneming doordat opdrachtgevers afspraken niet nakwamen en de betalingsachterstanden zijn verder opgelopen omdat de boekhouding niet op orde was.
De behandeling ter zitting
[verzoeker] heeft verklaard dat zijn vorige schuldsaneringsregeling tussentijds is beëindigd omdat hij niet snel genoeg documenten aanleverde bij de bewindvoerder. Volgens [verzoeker] was hij laks in het verstrekken van informatie aan de bewindvoerder.
Geconfronteerd met het feit dat [verzoeker] volgens de rechtbank en het Hof documenten heeft vervalst om te verbloemen dat hij niet aan de inlichtingenplicht had voldaan, heeft [verzoeker] verklaard dat hij dat uit angst voor het echtpaar [naam 3 en 4] heeft gedaan, dat hem heeft bedreigd, en dat het niet weer zal gebeuren.
Volgens [verzoeker] heeft hij nu veel steun van zijn beschermingsbewindvoerder en van Zuidweg Schuldhulp en houdt hij zich aan de regels. Ook werkt [verzoeker] extra uren om meer inkomen te genereren.
Volgens [naam 1] is de situatie rondom de tussentijds beëindigde schuldsaneringsregeling bekend en doet [verzoeker] een beroep op de hardheidsclausule. Volgens [naam 1] heeft [verzoeker] in het schuldhulpverleningstraject bijzonder goed meegewerkt.
[verzoeker] heeft verklaard dat hij in Zweden in voorarrest heeft gezeten en dat hem bij thuiskomst in Nederland door het echtpaar [naam 3 en 4] is gevraagd of hij het leuk zou vinden om voor zichzelf te beginnen. Volgens [verzoeker] heeft het echtpaar [naam 3 en 4] het startkapitaal verstrekt, hetgeen zou worden terugbetaald uit de inkomsten uit de onderneming. Volgens [verzoeker] heeft hij brieven die zogenaamd afkomstig waren van zijn advocaat van De Haan advocaten, uit angst gefabriceerd.
[verzoeker] heeft verklaard dat hij niet samenwoont met [naam 5] en dat hij voornamelijk in de weekenden op het adres van [naam 5] verblijft maar dat [naam 5] er dan niet is. Volgens [verzoeker] kan hij zijn kinderen niet op zijn woonadres in [plaats] ontvangen.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank overweegt dat bij de inwerkingtreding van de wet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling op 1 juli 2023 [1] artikel 288 lid 2 sub d Faillissementswet Pro is vervallen.
In dit artikelonderdeel werd bepaald dat een verzoek schuldsanering moest worden afgewezen (enkele uitzonderingen daargelaten) als in de tien jaar daarvoor de schuldsaneringsregeling op de schuldenaar van toepassing geweest. Deze wijziging is door een amendement van het lid Kat c.s. (van de Tweede Kamer) [2] doorgevoerd. In de toelichting op het amendement is vermeld dat de indieners van het amendement van mening zijn dat iedereen die te goeder trouw is in principe een tweede kans verdient en dat als de goede trouw ontbreekt de rechter de mogelijkheid heeft de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro toe te passen.
De rechtbank concludeert dat de schuldenlast van [verzoeker] buiten de driejaarstermijn van de goede-trouw-toets is ontstaan. De rechtbank is echter van oordeel dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat schuldenaren zoals [verzoeker], waarvan de vorige schuldsaneringsregeling binnen drie jaar voor de indiening van het huidige verzoekschrift op zeer verwijtbare gronden is geëindigd, nu reeds opnieuw kunnen worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, zoals de inlichtingenplicht, nu wel naar behoren zal nakomen, nu bij [verzoeker] het besef van de verwijtbaarheid van het gedurende vele jaren vervalsen van documenten, waaronder brieven en emails, lijkt te ontbreken. In (de toelichting op) het verzoekschrift is immers niets terug te vinden over de (zeer verwijtbare) aanleiding voor het tussentijds beëindigen van de schuldsaneringsregeling en ook ter zitting heeft [verzoeker] eerst na verder doorvragen erkend dat er meer aan de hand was dan het te laat inleveren van documenten bij de bewindvoerder. De verklaring van [verzoeker] dat hij werd bedreigd door het echtpaar [naam 3 en 4] heeft [verzoeker] op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt en is ook ten tijde van de behandeling van de voordracht tot tussentijdse beëindiging door de rechtbank en het Hof niet door hem aangevoerd.
Tenslotte heeft [verzoeker] de rechtbank er ook nu nog steeds niet van overtuigd dat er geen sprake is van samenwoning met [naam 5] en hun kinderen, nu hij over zijn aanwezigheid in de weekenden in de woning van de (ex-)partner in de loop der jaren verschillende van elkaar afwijkende verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank is onder andere op grond daarvan van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt het jarenlange patroon van leugenachtige verklaringen te hebben doorbroken.
De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat het verzoek schuldsanering moet worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af
Gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier [3] .

Voetnoten

1.Staatsblad 2023, 87
2.Kamerstukken II 2022/2023, 35915, nr 21
3.De schuldenaar heeft gedurende