De vrouw verzocht de rechtbank om verlenging van haar partneralimentatieverplichting van twaalf jaar met de mogelijkheid tot verlenging, omdat zij na de echtscheiding arbeidsongeschikt raakte, geen pensioen kon opbouwen en de man jarenlang te weinig alimentatie betaalde. De rechtbank oordeelde dat het verzoek binnen de wettelijke termijn was ingediend en dat de alimentatieverplichting van rechtswege was geëindigd op 14 februari 2025.
De rechtbank overwoog dat de wettelijke regel dat partneralimentatie na twaalf jaar eindigt, in beginsel definitief is en dat verlenging slechts mogelijk is bij bijzondere omstandigheden. De vrouw moest aantonen dat zij alles had gedaan wat redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht om financieel zelfstandig te worden en dat haar behoefte aan alimentatie nog verband hield met het huwelijk.
Hoewel de vrouw arbeidsongeschikt is verklaard voor 45 tot 55% en een ingrijpende inkomensdaling heeft, heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoende pogingen heeft gedaan om financieel zelfstandig te worden. Ook het ontbreken van pensioenopbouw en het feit dat partijen bewust afzagen van pensioenverevening, evenals het te laag betalen van alimentatie in het verleden, vormden geen bijzondere omstandigheden. De rechtbank concludeerde dat de vrouw onvoldoende onderbouwde dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kon worden gevergd.
De rechtbank wees het verzoek daarom af en bepaalde dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.