ECLI:NL:RBOVE:2025:5534
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid minister bij weigering toekenning dwangsom
Eiseres stelde de minister op 27 augustus 2024 in gebreke vanwege overschrijding van de beslistermijn op haar bezwaar tegen een boetebesluit van 27 februari 2024. De minister besloot op 10 september 2024 geen dwangsom toe te kennen, met als reden dat op 6 september 2024 inhoudelijk op het bezwaar was beslist. Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, dat de minister op 5 december 2024 ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde eiseres beroep in.
De rechtbank onderzocht ambtshalve de bevoegdheid van de minister om op het bezwaar te beslissen, gelet op artikel 4:19, eerste lid, Awb. De rechtbank concludeerde dat het beroep tegen het besluit van 6 september 2024 mede betrekking heeft op het bezwaar tegen het primaire besluit van 10 september 2024. Hierdoor was de minister niet bevoegd om op dit bezwaar te beslissen en had het bezwaarschrift aan de rechtbank moeten worden doorgezonden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en zal het bezwaar beoordelen binnen het beroep tegen het besluit van 6 september 2024. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onbevoegdheid van de minister.