ECLI:NL:RBOVE:2025:5534

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 september 2025
Publicatiedatum
11 september 2025
Zaaknummer
AK_25_60
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:19 AwbArt. 6:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid minister bij weigering toekenning dwangsom

Eiseres stelde de minister op 27 augustus 2024 in gebreke vanwege overschrijding van de beslistermijn op haar bezwaar tegen een boetebesluit van 27 februari 2024. De minister besloot op 10 september 2024 geen dwangsom toe te kennen, met als reden dat op 6 september 2024 inhoudelijk op het bezwaar was beslist. Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, dat de minister op 5 december 2024 ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde eiseres beroep in.

De rechtbank onderzocht ambtshalve de bevoegdheid van de minister om op het bezwaar te beslissen, gelet op artikel 4:19, eerste lid, Awb. De rechtbank concludeerde dat het beroep tegen het besluit van 6 september 2024 mede betrekking heeft op het bezwaar tegen het primaire besluit van 10 september 2024. Hierdoor was de minister niet bevoegd om op dit bezwaar te beslissen en had het bezwaarschrift aan de rechtbank moeten worden doorgezonden.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en zal het bezwaar beoordelen binnen het beroep tegen het besluit van 6 september 2024. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onbevoegdheid van de minister.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/60

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] B.V., eiseres

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en

de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigden: mr. E.J.H. Jansen, mr. M.L. Leegsma en K.A. Buma).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de besluitvorming van de minister naar aanleiding van de ingebrekestelling van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister niet bevoegd was om te beslissen op het bezwaar van eiseres tegen het besluit waarin aan haar geen dwangsom wordt toegekend. Het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft de minister op 27 augustus 2024 in gebreke gesteld in verband met de overschrijding van de beslistermijn op het bezwaar van eiseres tegen de door de minister opgelegde boete met het besluit van 27 februari 2024.
2.1.
De minister heeft met het primaire besluit van 10 september 2024 besloten om geen dwangsom toe te kennen, omdat er bij besluit van 6 september 2024 inhoudelijk is beslist op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 27 februari 2024.
2.2.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het bestreden besluit van 5 december 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2025, gelijktijdig met het beroep met zaaknummer ZWO 24/3912, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het college bevoegd was het bestreden besluit te nemen, gelet op artikel 4:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft op 26 september 2024 beroep ingesteld tegen het besluit van 6 september 2024. [1] Zij heeft vervolgens op 2 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 10 september 2024, waarin de minister heeft beslist dat geen dwangsom wordt toegekend.
3.2.
Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres tegen het besluit van 6 september 2024 van rechtswege mede betrekking op (het bezwaar tegen) het primaire besluit van 10 september 2024, nu eiseres deze betwist. Dat betekent dat de minister niet bevoegd was om op het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit van 10 september 2024 te beslissen. De minister had het bezwaarschrift van eiseres op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank moeten doorzenden ter beoordeling als beroep. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onbevoegd was het bestreden besluit te nemen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank zal het bezwaarschrift van eiseres beoordelen in het kader van het beroep van eiseres tegen het besluit van 6 september 2024.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 december 2024;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op
De rechter is verhinderd deuitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/3912.