Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Beroepsgronden
Eiseres stelt ten slotte dat vanwege Tramadolgebruik een beperking is aangewezen op item 1.8.6 (verhoogd persoonlijk risico). Eiseres verwijst daarbij naar de bijsluiter waarin is opgenomen dat bij incidenteel gebruik, zoals bij eiseres, het niet verstandig wordt geacht om auto te rijden 12 uur na inname. Gelet op het eventuele negatieve effect van het medicijn Tramadol op het reactie- en concentratievermogen is het niet verantwoord eiseres bloot te stellen aan een verbrandingsgevaar op de werkvloer. Als deze beperking wordt aangenomen, kunnen niet alle functies worden gehandhaafd omdat deze een signalering bevatten op dit item.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres gezien op de hoorzitting van 19 februari 2025. Hij heeft voorts informatie opgevraagd en ontvangen van de huisarts van eiseres, G.H. van Welsenes.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn visie voldoende inzichtelijk gemaakt in de rapportage van 31 maart 2025. Uit hetgeen eiseres aanvoert, volgt niet dat de wijze van onderzoek, in zijn geheel bezien, gebreken vertoont.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage daarover te kennen gegeven dat eiseres andere pijnstillers zou kunnen gebruiken zoals Diclofenac, Paracetamol of Celecoxib en dat deze middelen niet of nauwelijks invloed hebben op de rijvaardigheid.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat er aan voorbij dat Tramadol door een arts aan eiseres is voorgeschreven. Eiseres zal niet zonder reden zijn overgestapt van het middel Celecoxib dat ze in het verleden gebruikte. Er kan niet zonder meer van worden uitgegaan dat zij opnieuw zal kunnen overstappen naar dit middel, waarbij de rechtbank betrekt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep uit dient te gaan van het huidige medicatiegebruik. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat eiseres autorijdt wat er op zou duiden dat het Tramadolgebruik geen beperking vereist. Gelet op de periode dat men met incidenteel Tramadolgebruik niet mag rijden, 12 uur volgens de bijsluiter, ziet de rechtbank daarin geen reden om geen beperking aan te nemen. Eiseres hield met haar autorijden daar blijkbaar rekening mee. Zij nam het middel in de middag, en reed auto in de ochtend. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat uit de beschikbare medische informatie en de bevindingen van de primaire verzekeringsarts en in bezwaar geen aanwijzingen blijken voor een verminderde concentratie. Ook dat overtuigt de rechtbank niet, omdat de Tramadol ‘zo nodig’ was voorgeschreven en zij dit middel naar eigen zeggen ongeveer twee keer per week gebruikte. Niet duidelijk is geworden of zij dit middel had gebruikt toen ze de spreekuren bij het UWV bezocht. Gelet op het voorgaande had daarom een beperking voor ‘verhoogd persoonlijk risico (item 1.8.6)’ aangenomen moeten worden. Het besluit is dan ook in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen. De rechtbank zal onder “arbeidskundige beoordeling” beoordelen wat dit voor gevolgen heeft.
Voorts gaf de verzekeringsarts aan dat gelet op het waargenomen vlotte lopen en het feit dat eiseres ter oefening traploopt naar 3-hoog er aanleiding bestond om de eerder gestelde beperkingen op lopen tijdens het werk en traplopen te verminderen. Er was geen noodzaak om haar houdingen in een specifieke volgorde af te wisselen. De mogelijkheid om bij het zitten tijdens het werk af en toe kortdurend te kunnen vertreden is voldoende.
Voorts heeft eiseres gewezen op de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar in beroep ten tijde van de EZWb zoals neergelegd in de rapportage van 14 maart 2023. Hierin is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen dat eiseres slechts een half uur achtereen kon zitten. Deze rapportage kan echter niet afdoen aan de rapportages van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep die hebben geleid tot het primaire en bestreden besluit. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres beiden hebben gezien op ofwel het spreekuur of de hoorzitting en derhalve meer uit eigen waarneming hebben kunnen rapporteren. De rapportage van 14 maart 2023 is opgemaakt naar aanleiding van de aard van de klachten van eiseres en de uitslag bij beeldvormend onderzoek. In de huidige procedure is meer eigen onderzoek verricht. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben gemotiveerd waarom geen nadere beperking op zitten hoeft te worden aangenomen.