ECLI:NL:RBOVE:2025:6021

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 oktober 2025
Publicatiedatum
10 oktober 2025
Zaaknummer
ak_25_1418
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake WIA-uitkering en beoordeling van beperkingen door het UWV

In deze tussenuitspraak heeft de Rechtbank Overijssel geoordeeld dat het UWV bij de beoordeling van de WIA-uitkering van eiseres ten onrechte geen beperking heeft aangenomen voor het item 'verhoogd persoonlijk risico'. De rechtbank stelt vast dat het gebruik van Tramadol door eiseres niet is meegenomen in de beoordeling, wat een belangrijke omissie is. Eiseres had eerder een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering, die door het UWV was afgewezen op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, waaruit bleek dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze afwijzing, waarbij zij aanvoert dat haar klachten en beperkingen onvoldoende zijn gewogen. De rechtbank heeft het procesverloop en de relevante feiten uiteengezet, en concludeert dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen beperkingen voor het Tramadolgebruik zijn aangenomen. De rechtbank heeft het UWV de gelegenheid gegeven om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, met een termijn van vier weken. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1418 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. K. Aslan),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

(gemachtigde: C. Lubberts).

Samenvatting

1. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het UWV bij de beoordeling of eiseres recht heeft op een WIA-uitkering ten onrechte geen beperking heeft aangenomen op het item ‘verhoogd persoonlijk risico’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.1
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 19 maart 2024 afgewezen, omdat eiseres na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek minder dan 35% arbeidsongeschikt is bevonden. Met het bestreden besluit van 25 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam], tolk Pools en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres was eerder werkzaam als [beroep] voor gemiddeld 31,92 uur per week. Na het einde van haar dienstverband is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Vanuit de WW heeft zij zich op 20 december 2021 ziek gemeld vanwege lichamelijke klachten. Vervolgens is aan haar ziekengeld toegekend.
Per einde wachttijd heeft het UWV een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling verricht. Dit heeft geleid tot het primaire besluit.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de weigering van de WIA-uitkering door het UWV. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

Beroepsgronden

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het UWV haar klachten en beperkingen heeft onderschat en dat zij daarom niet geschikt is voor de geduide functies. Zij stelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar klachten en beperkingen in haar onderrug, die waarschijnlijk verband houden met haar knieklachten, onvoldoende heeft gewogen. Zitten lukt haar maximaal 15-20 minuten. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) bevat ten aanzien van zitten (item 5.1) echter alleen een lichte beperking. Eiseres wordt in staat geacht om een uur achtereen te zitten. Dat de verzekeringsarts eiseres tijdens het spreekuur 30 minuten heeft zien zitten, betekent niet dat ze in staat is om een uur achtereen te zitten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep hecht er waarde aan dat eiseres tijdens de hoorzitting een uur aaneengesloten kon zitten, maar die hoorzitting was meer dan een jaar na de in geding zijnde datum. Eiseres wijst er voorts op dat in juni 2024 uit beeldvormend onderzoek is gebleken dat ze artrose in het heupgewricht links heeft. Deze informatie was in de primaire fase nog niet bekend. De verzekeringsarts heeft daar bij zijn beoordeling derhalve geen rekening mee kunnen houden. Deze problematiek deed zich echter al vóór de datum in geding voor. Uit het journaal dat in bezwaar door de huisarts is aangeleverd, blijkt dat eiseres voor het eerst op 6 juli 2023 bij haar huisarts is geweest met klachten van het (linker) bovenbeen. Eiseres heeft ook last van rug- en schouderklachten. De huisarts geeft in zijn medische informatie van 18 maart 2025 aan dat de rug- en schouderklachten door hem gezien zijn als polyartrose en dat er hiervoor een behandeling is opgestart. Dit maakt duidelijk dat er naast klachten van het linker bovenbeen ook sprake is van klachten van de knieën, de rug en de schouders. Deze combinatie zou naar de mening van eiseres meer en sterkere beperkingen noodzakelijk moeten maken, bijvoorbeeld een sterkere beperking ten aanzien van zitten, maar ook ten aanzien van tillen en dragen. Ten tijde van de eerstejaarsziektewetbeoordeling (Ezwb) zijn er zwaardere beperkingen aangenomen op items 5.1 en 5.9. Sindsdien is er geen verbetering opgetreden, integendeel, na juli 2023 zijn de klachten verergerd. Waarom deze beperkingen niet zijn gehandhaafd, is onvoldoende gemotiveerd.
Eiseres stelt ten slotte dat vanwege Tramadolgebruik een beperking is aangewezen op item 1.8.6 (verhoogd persoonlijk risico). Eiseres verwijst daarbij naar de bijsluiter waarin is opgenomen dat bij incidenteel gebruik, zoals bij eiseres, het niet verstandig wordt geacht om auto te rijden 12 uur na inname. Gelet op het eventuele negatieve effect van het medicijn Tramadol op het reactie- en concentratievermogen is het niet verantwoord eiseres bloot te stellen aan een verbrandingsgevaar op de werkvloer. Als deze beperking wordt aangenomen, kunnen niet alle functies worden gehandhaafd omdat deze een signalering bevatten op dit item.
Beoordeling van de beroepsgronden
Zorgvuldigheid van het onderzoek
6. Aan het bestreden besluit ligt een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag. De verzekeringsarts heeft eiseres zelf gesproken op het spreekuur van 5 maart 2024. Zijn conclusies heeft de verzekeringsarts voldoende begrijpelijk neergelegd in de rapportage van 6 maart 2024.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres gezien op de hoorzitting van 19 februari 2025. Hij heeft voorts informatie opgevraagd en ontvangen van de huisarts van eiseres, G.H. van Welsenes.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn visie voldoende inzichtelijk gemaakt in de rapportage van 31 maart 2025. Uit hetgeen eiseres aanvoert, volgt niet dat de wijze van onderzoek, in zijn geheel bezien, gebreken vertoont.
De medische grondslag
6.1
De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet voldoende navolgbaar heeft gerapporteerd ten aanzien van het Tramadolgebruik van eiseres en waarom hier geen beperkingen voor aangenomen zouden hoeven worden.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage daarover te kennen gegeven dat eiseres andere pijnstillers zou kunnen gebruiken zoals Diclofenac, Paracetamol of Celecoxib en dat deze middelen niet of nauwelijks invloed hebben op de rijvaardigheid.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep gaat er aan voorbij dat Tramadol door een arts aan eiseres is voorgeschreven. Eiseres zal niet zonder reden zijn overgestapt van het middel Celecoxib dat ze in het verleden gebruikte. Er kan niet zonder meer van worden uitgegaan dat zij opnieuw zal kunnen overstappen naar dit middel, waarbij de rechtbank betrekt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep uit dient te gaan van het huidige medicatiegebruik. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat eiseres autorijdt wat er op zou duiden dat het Tramadolgebruik geen beperking vereist. Gelet op de periode dat men met incidenteel Tramadolgebruik niet mag rijden, 12 uur volgens de bijsluiter, ziet de rechtbank daarin geen reden om geen beperking aan te nemen. Eiseres hield met haar autorijden daar blijkbaar rekening mee. Zij nam het middel in de middag, en reed auto in de ochtend. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat uit de beschikbare medische informatie en de bevindingen van de primaire verzekeringsarts en in bezwaar geen aanwijzingen blijken voor een verminderde concentratie. Ook dat overtuigt de rechtbank niet, omdat de Tramadol ‘zo nodig’ was voorgeschreven en zij dit middel naar eigen zeggen ongeveer twee keer per week gebruikte. Niet duidelijk is geworden of zij dit middel had gebruikt toen ze de spreekuren bij het UWV bezocht. Gelet op het voorgaande had daarom een beperking voor ‘verhoogd persoonlijk risico (item 1.8.6)’ aangenomen moeten worden. Het besluit is dan ook in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen. De rechtbank zal onder “arbeidskundige beoordeling” beoordelen wat dit voor gevolgen heeft.
6.2
Voor het overige is de belastbaarheid van eiseres op de datum in geding op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts van 6 maart 2024 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 maart 2025 en 11 juli 2025.
De verzekeringsarts heeft ten aanzien van het zitten overwogen dat niet kan worden ingezien waarom eiseres bij mediale gewrichtsspleetversmalling, degeneratieve haakjes en een beginnende subchondrale cyste niet langdurig zou kunnen zitten, en ieder half uur zou moeten vertreden. Deze claim blijkt echter voort te komen uit rugpijn door - waarschijnlijk - een houdingsafwijking. Hierbij is tevens de eigen waarneming tijdens het spreekuur betrokken. De verzekeringsarts gaf aan dat de mobiliteit van de rug goed is en dat eiseres langer dan een half uur rustig kon zitten.
Voorts gaf de verzekeringsarts aan dat gelet op het waargenomen vlotte lopen en het feit dat eiseres ter oefening traploopt naar 3-hoog er aanleiding bestond om de eerder gestelde beperkingen op lopen tijdens het werk en traplopen te verminderen. Er was geen noodzaak om haar houdingen in een specifieke volgorde af te wisselen. De mogelijkheid om bij het zitten tijdens het werk af en toe kortdurend te kunnen vertreden is voldoende.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen dat eiseres klachten en beperkingen heeft als gevolg van overgewicht, mediale chondropathie van de rechterknie, coxartrose links en tendomyogene lage rugklachten en incontinentie. In relatie tot de mediale chondropathie van de rechterknie, waarbij beeldvormend onderzoek heeft plaatsgevonden in februari 2025, was geen verandering (verslechtering) te zien ten opzichte van maart 2022. Medisch is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden voor een verdergaande beperkingen voor zitten. Ook hij wijst er op dat eiseres een uur aaneengesloten kan zitten tijdens de hoorzitting van 19 februari 2025. In de rapportage van 11 juli 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog aangevuld dat, uitgaande van tendomyogene rugklachten en de coxartrose met de beperkingen die aangegeven
zijn op de items zitten (5.1.1. en 5.2.1) en de overig fysieke beperkingen in voldoende mate
rekening is gehouden.
De gemachtigde heeft gesteld dat het gegeven dat eiseres tijdens de hoorzitting in bezwaar een uur kon zitten niets zegt ten aanzien van de datum in geding. Dit wordt echter niet gevolgd, omdat eiseres niet heeft aangegeven dat in de tussenliggende periode een verbetering zou hebben plaatsgevonden. Integendeel, zoals ook aangegeven tijdens de zitting verklaarde eiseres dat haar medische situatie juist is verslechterd en dat er geen periodes zijn geweest waarin het beter ging. Het is daarom aannemelijk dat als zij op de hoorzitting van 19 februari 2025 langere tijd kon zitten, zij dit ook kon op de datum in geding.
Voorts heeft eiseres gewezen op de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar in beroep ten tijde van de EZWb zoals neergelegd in de rapportage van 14 maart 2023. Hierin is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen dat eiseres slechts een half uur achtereen kon zitten. Deze rapportage kan echter niet afdoen aan de rapportages van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep die hebben geleid tot het primaire en bestreden besluit. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres beiden hebben gezien op ofwel het spreekuur of de hoorzitting en derhalve meer uit eigen waarneming hebben kunnen rapporteren. De rapportage van 14 maart 2023 is opgemaakt naar aanleiding van de aard van de klachten van eiseres en de uitslag bij beeldvormend onderzoek. In de huidige procedure is meer eigen onderzoek verricht. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben gemotiveerd waarom geen nadere beperking op zitten hoeft te worden aangenomen.
6.3
In de FML van 14 maart 2024 heeft de verzekeringsarts beperkingen opgenomen in de rubrieken sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen.
Dat eiseres zwaardere beperkingen zegt te hebben, betekent niet zonder meer dat ook meer beperkingen moeten worden aangenomen. Van belang is immers niet alleen wat eiseres ervaart, maar wat objectief medisch als gevolg van ziekte of gebrek aan beperkingen is vast te stellen op de datum in geding. Dat de situatie van eiseres thans is verslechterd valt buiten de huidige beoordeling.
6.4
Gelet op wat in rechtsoverweging 6.1 is overwogen kan de FML niet zonder meer in stand blijven en dient deze aangevuld te worden met een beperking voor ‘verhoogd persoonlijk risico’ (item 1.8.6).
Arbeidskundige beoordeling en de geschiktheid van de functies
7. De rechtbank constateert dat met het aannemen van de extra beperking op item 1.8.6 een nadere arbeidskundige beoordeling vereist is. Immers, in een aantal van de geduide functies is sprake van een signalering op dit punt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zal daarom moeten motiveren of de functie desondanks geschikt is.

Conclusie en gevolgen

8. Zoals hiervoor is overwogen onder 6.1 en 6.4 is het bestreden besluit in strijd met de artikel 3:3 en 7:12 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het UWV nader motiveren of en zo ja, waarom de geduide functies nog steeds geschikt zijn, met inachtneming van de extra beperking op item 1.8.6. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
9. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
10. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).
11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.