De rechtbank Overijssel behandelde het beroep van Asfalt Centrale Twente B.V. (ACT) tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo om maatwerkvoorschriften op te leggen voor de controle op emissies vanuit de asfaltcentrale van ACT. ACT voerde aan dat er geen wettelijke grondslag was voor deze voorschriften, onder meer vanwege het ontbreken van een MER-beoordeling en het ontbreken van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS).
De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer om deze maatwerkvoorschriften op te leggen. De artikelen 2.7 en 2.8 van het Activiteitenbesluit zijn niet onverbindend vanwege het ontbreken van een plan-mer of plan-mer-beoordeling, omdat deze bepalingen niet kaderstellend zijn in de zin van de SMB-richtlijn. Ook de motivering van het besluit voldeed aan de eisen, waarbij het college voldoende heeft toegelicht waarom extra controle noodzakelijk is.
Verder verwierp de rechtbank het beroep van ACT dat er geen meetverplichting zou zijn voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en dat er sprake zou zijn van ongelijke behandeling. De rechtbank stelde dat de algemene regels van het Activiteitenbesluit naast de specifieke regels voor asfaltcentrales gelden en dat binnen de gemeente Hengelo geen vergelijkbare gevallen zijn die een beroep op het gelijkheidsbeginsel rechtvaardigen.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat het college terecht een halfjaarlijkse meetfrequentie voorschreef in lijn met het Adviesdocument Omgevingsdiensten, omdat de inrichting zich in een overgangsfase bevindt en nog niet voldoet aan de eisen voor Best Beschikbare Technieken. Het beroep werd ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en ACT krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.