ECLI:NL:RBOVE:2025:6032

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
13 oktober 2025
Zaaknummer
ak_24_4124
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over vaststelling arbeidsongeschiktheid wegens onvoldoende rekening herstelbehoefte

Eiseres, voormalig werknemer bij de Nederlandse Spoorwegen, maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid door het UWV, dat haar op 59,10% arbeidsongeschikt had gesteld. Zij stelde dat haar urenbeperking onvoldoende rekening hield met de herstelbehoefte tussen haar intensieve revalidatiebehandelingen.

De rechtbank behandelde het beroep en stelde vast dat het UWV wel rekening had gehouden met de behandelingen zelf (ongeveer 2x 5 uur per week), maar niet met de noodzakelijke hersteltijd tussen deze behandelingen. De revalidatiearts bevestigde dat eiseres tussen de behandelingen hersteltijd nodig had, maar gaf geen exacte uren aan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vond geen aanleiding voor een verdere beperking, maar de rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende onderbouwd was.

De rechtbank concludeerde dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met de herstelbehoefte, waardoor het besluit in strijd was met de Awb. Het bestreden besluit werd vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de herstelbehoefte. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt gegrond verklaard en het UWV-besluit vernietigd wegens onvoldoende rekening houden met herstelbehoefte tussen revalidatiebehandelingen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/4124

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV),
gemachtigde: G.A. Tellinga.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling van haar mate van arbeidsongeschiktheid op 59,10%.
1.1
Bij besluit van 28 mei 2024 heeft het UWV eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 16 maart 2024 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres is daarbij 31,53% arbeidsongeschikt geacht.
1.2
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Met het bestreden besluit van
21 oktober 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en haar met ingang van 14 maart 2024 op grond van de WIA een loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) toegekend. Eiseres wordt daarbij 59,10% arbeidsongeschikt geacht.
1.3
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door [naam] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
1.5
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen nadere medische informatie in geding te brengen. De rechtbank heeft daarbij een aantal vragen voor de revalidatiearts opgesteld. Na ontvangst van de nadere medische informatie van eiseres heeft het UWV gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren.
1.6
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij behoefte hebben aan een nadere zitting. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn aangegeven op een zitting gehoord te willen worden. De rechtbank heeft daarom het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiseres is vanaf 1 december 2015 tot 1 augustus 2021 gedurende gemiddeld 32 uur per week werkzaam geweest als [beroep] bij de Nederlandse Spoorwegen. Na het einde van haar dienstverband heeft zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Op 23 februari 2022 heeft eiseres zich vanuit de WW ziek gemeld. Zij heeft een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen. Zij heeft het UWV verzocht haar een WIA-uitkering toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld in de Inleiding.

Standpunten van partijen

3.1
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres met haar beperkingen nog steeds werk kan verrichten. Met dit werk zou eiseres 59,10% minder kunnen verdienen dan haar maatman, in dit geval een gezonde [beroep] voor 32 uur per week.
3.2
Eiseres stelt dat een verdergaande urenbeperking moet worden aangenomen. Eiseres volgt een tijdsintensief revalidatietraject bij [kliniek]. In verband daarmee wordt zij op
twee (soms wisselende) dagen per week behandeld door diverse therapeuten. De duur varieert van enkele uren tot meer dan een dagdeel. Na de behandeling gaat eiseres in ieder geval één keer per week zwemmen in de revalidatiekliniek. De behandelingen zijn intensief en vergen veel van eiseres. Na een behandeling moet zij recupereren. Daarnaast wordt van haar verwacht dat zij thuis nog oefeningen doet. De standaard Duurbelastbaarheid in arbeid geeft de mogelijkheid rekening te houden met herstel na een behandeling. Op de dagen dat zij wordt behandeld is eiseres feitelijk niet tot werken in staat. Daarnaast moet zij reizen in verband met de behandeling. Eiseres is van mening dat rekening gehouden had moeten worden met een urenbeperking van 2 x 8 uur per week. Na de zitting heeft eiseres brieven van 19 april 2025 en 9 januari 2025 van revalidatiearts [revalidatiearts] in geding gebracht.
3.3
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Het UWV heeft hierbij gewezen op het rapport van 31 januari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In zijn brief van 11 juni 2025 heeft het UWV de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep meegedeeld op de nader in geding gebrachte brieven van de revalidatiearts.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen de vaststelling van haar mate van arbeidsongeschiktheid op 59,10%. Zij doet dat aan de hand van wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Gelet op het aangevoerde is tussen partijen in geschil of het UWV met de aangenomen urenbeperking tot 30 uur per week voldoende rekening heeft gehouden met de beperkte beschikbaarheid in verband met het volgen van een revalidatiebehandeling.
5. De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiseres slaagt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.1
De bezwaarverzekeringsarts heeft tegen de achtergrond van de zogenoemde standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ in zijn rapport van 16 september 2024 aanleiding gezien een urenbeperking aan te nemen, omdat eiseres in verband met een revalidatiebehandeling gedurende 1 tot 2 dagdelen per week op wisselende weekdagen niet beschikbaar is. Naast deze revalidatiebehandeling deed eiseres oefeningen thuis en zwom ze zelfstandig. Daardoor is eiseres 2 x 5 uur per week niet beschikbaar voor arbeid. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is daarom rekening gehouden met een beperking tot 30 uur per week.
5.2
In zijn rapport van 31 januari 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van wat er in beroep is aangevoerd geconcludeerd dat er geen aanleiding is een verdergaande urenbeperking aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat het aangevoerde niet wordt ondersteund door nieuwe gegevens over de revalidatiebehandeling. Uit de informatie van het revalidatiecentrum over de periode 1 april 2023 tot 1 juli 2024 blijkt overigens feitelijk dat eiseres vanaf de datum in geding niet elke week gedurende 2 dagen over een langdurige periode haar behandelingen heeft gevolgd. Eiseres is hierin met de aangenomen urenbeperking redelijkerwijs tegemoet gekomen.
5.3
In de brief van 11 juni 2025 van het UWV is de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de brieven van 19 april 2025 en 9 januari 2025 van de revalidatiearts vermeld.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat de vragen van de rechtbank niet beantwoord zijn. De verzekeringsarts heeft overwogen dat de rechtbank de revalidatiearts specifiek heeft gevraagd naar de omvang, in de vorm van het aantal uren per dag en per week, van de revalidatiebehandelingen in de periode van 16 maart 2024 tot en met 6 juni 2024. Deze vragen worden niet beantwoord in de door eiseres aangeleverde informatie van de revalidatiearts. Ten aanzien van de brieven van de revalidatiearts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat er een beperking is aangenomen voor beroepsmatig besturen van een voertuig en met de (mate van sterkte van de) aangenomen beperkingen in de rubrieken 1 tot en met 5 van de FML wordt met energetische belasting al rekening gehouden.
5.4
De rechtbank stelt vast dat de revalidatiearts de gestelde vragen niet heeft beantwoord, maar in zijn brief van 19 april 2025 wél het volgende heeft vermeld:
“Patiënte heeft tijdens de poliklinische revalidatiebehandeling zowel tussen de behandeling in als tussen de therapiedagen door hersteltijd nodig gehad. Patiënte hield ook rekening met haar energie o.a. bij deelname in verkeer middels autorijden voor en na een therapiemoment, met name bij fysiek intensieve behandelelementen. Gedurende de behandeling leerde patiënte de principes van energieverdeling steeds beter toe te passen.”
Hieruit volgt wel een beeld, dat de stelling van eiseres ondersteunt. De omvang van de hersteltijd die nodig was is niet direct uit de brief te herleiden, maar de informatie van de revalidatiearts geeft wel voldoende onderbouwing voor de stelling van eiseres dat zij op de datum in geding tussen behandelmomenten hersteltijd nodig had.
5.5
Uit het afsprakenoverzicht blijkt dat eiseres in de periode van eind oktober 2023 tot en met juni 2024 afspraken heeft gehad bij [kliniek]. Het aantal afspraken per maand is in de loop van de tijd minder geworden, maar rond de datum in geding had eiseres nog volop afspraken. In maart 2024 had eiseres zeven afspraken. Uit de informatie van de revalidatiearts blijkt dat eiseres tussen deze afspraken hersteltijd nodig had.
5.6
Tegen deze achtergrond moet worden vastgesteld dat met de aangenomen urenbeperking tot 30 uur per week, omdat eiseres twee maal vijf uur per week niet beschikbaar is voor arbeid, enkel rekening is gehouden met de behandeling zelf. Daarmee is geen rekening gehouden met recuperatiebehoefte, die wel blijkt uit het antwoord van de revalidatiearts op de vragen van de rechtbank, zij het dat de revalidatiearts niet alle vragen heeft beantwoord onder verwijzing naar de richtlijn van de KNMG. Dat de revalidatiearts deze vragen niet heeft willen beantwoorden kan eiseres niet worden tegengeworpen.
5.7
De rechtbank concludeert dan ook dat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij de vaststelling van de urenbeperking onvoldoende rekening is gehouden met haar herstelbehoefte tussen de afspraken. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiseres op de dag van een afspraak, gelet op de door de revalidatiearts beschreven hersteltijd tussen de behandelingen in en tussen de therapiedagen door, niet beschikbaar was voor arbeid, zodat rekening gehouden had moeten worden met een verdergaande urenbeperking. De rechtbank acht het aangewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader beoordeelt op welke wijze in de urenbeperking rekening gehouden dient te worden met de herstelbehoefte van eiseres tussen de dagen met afspraken door, waarbij de verzekeringsarts er in ieder geval vanuit dient te gaan dat eiseres op de behandeldagen zelf (circa 2x 8 uur per week) als gevolg van revalidatiebehandelingen en recuperatiebehoefte niet inzetbaar was.
5.8
Dat het aantal afspraken na de datum in geding is afgenomen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Bij de vaststelling van de belastbaarheid van eiseres is immer wél rekening gehouden met de afspraken zelf door het aannemen van een urenbeperking. De rechtbank acht het dan niet consistent om geen rekening te houden met de herstelbehoefte van eiseres tussen de afspraken door. Bovendien is de afname van de behandelmomenten gelegen in de periode na de datum in geding, zodat ook om die reden deze afname niet mag worden vertaald naar een hogere belastbaarheid op de datum in geding.
5.9
Eiseres heeft de rechtbank verzocht een deskundige te benoemen. De rechtbank gaat nu nog aan dit verzoek voorbij. De rechtbank acht het aangewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich eerst uitlaat over de nodige herstelbehoefte tussen de dagen met afspraken door, met inachtneming van deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 oktober 2024;
- draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.