ECLI:NL:RBOVE:2025:6172

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
11907782 \ CV EXPL 25-1788
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:201 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering op grond van ontbreken huurovereenkomst bij geschil over nutsvoorzieningen

Eiser woont sinds 1 mei 2025 in het bijgebouw van de woning van gedaagde. De nutsvoorzieningen zoals gas, water, elektriciteit, ethernet en wifi zijn door gedaagde verbroken. Eiser stelt dat partijen een huurovereenkomst hebben gesloten en vordert dat gedaagde wordt veroordeeld om de nutsvoorzieningen weer aan te sluiten en hem rustig woongenot te verschaffen. Gedaagde betwist het bestaan van een huurovereenkomst en voert aan dat de betalingen slechts vergoeding voor nutsvoorzieningen waren.

De kantonrechter beoordeelt in kort geding of eiser een spoedeisend belang heeft en of de vorderingen kans van slagen hebben in de bodemprocedure. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een huurovereenkomst, omdat hij niet heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk huur heeft betaald. De door eiser gestelde betalingen zijn niet voldoende bewezen en kunnen ook als vergoeding voor nutsvoorzieningen worden gezien.

Omdat het bestaan van een huurovereenkomst niet is vastgesteld, kan niet worden geoordeeld dat gedaagde verplicht is de nutsvoorzieningen aan te sluiten en rustig woongenot te verschaffen. De vorderingen worden daarom afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.

Uitkomst: Vorderingen van eiser worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van huurovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11907782 \ CV EXPL 25-1788
Vonnis in kort geding van 21 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. G.J. Hollema,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.Samenvatting

1.1.
[eiser] woont in het bijgebouw van de woning van [gedaagde]. De gas-, water-, elektriciteits-, ethernet- en wifi-aansluitingen zijn verbroken. [eiser] stelt dat partijen een huurovereenkomst hebben gesloten en vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de nutsvoorzieningen weer aan te sluiten en hem rustig woongenot te verschaffen. [gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat partijen een huurovereenkomst hebben gesloten.
1.2.
Naar het (voorlopig) oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een huurovereenkomst. De vorderingen worden daarom afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitaantekeningen van [eiser].

3.De feiten

3.1.
[eiser] is bevriend met de oom van [gedaagde]. [eiser] is gescheiden en was op zoek naar een woonruimte. Via de oom van [gedaagde] zijn partijen met elkaar in contact gekomen.
3.2.
[gedaagde] woont aan de [adres]. Sinds 1 mei 2025 woont [eiser] in het bijgebouw van de woning.
3.3.
Op 21 september 2025 is de ethernetaansluiting van het bijgebouw verbroken. Op 1 oktober 2025 zijn de gas-, water- en elektriciteitsaansluitingen van het bijgebouw verbroken. Op 3 oktober 2025 is de wifi-aansluiting van het bijgebouw verbroken.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] om de nutsvoorzieningen weer aan te sluiten en aangesloten te houden en om hem rustig woongenot te verschaffen, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert hij veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met rente.
4.2.
[eiser] stelt dat [gedaagde] de aansluitingen van de nutsvoorzieningen heeft verbroken en zich pesterig en intimiderend tegenover hem heeft gedragen, omdat hij de woonruimte niet wil verlaten. Volgens [eiser] hebben partijen echter een huurovereenkomst gesloten en moet [gedaagde] hem daarom ongestoord huurgenot inclusief nutsvoorzieningen verschaffen.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat partijen een huurovereenkomst hebben gesloten.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Kortgedingprocedure
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Huurovereenkomst
5.2.
Op grond van de wet (artikel 7:201 lid 1 BW Pro) is er sprake van een huurovereenkomst als de verhuurder een zaak of gedeelte daarvan in gebruik geeft aan een huurder in ruil voor een tegenprestatie, zoals het betalen van een geldbedrag.
5.3.
[eiser] stelt dat hij het bijgebouw van [gedaagde] huurt en dat hij daarvoor huur betaalt. Hij stelt dat hij voor de maanden mei en juni 2025 twee keer € 325,00 aan huur heeft betaald, voor de maanden juli en augustus 2025 twee keer € 425,00 en voor de maand september € 450,00. Volgens [eiser] heeft hij deze bedragen contant aan [gedaagde] betaald. Daarnaast stelt hij dat hij voor de maand oktober 2025 € 450,00 op een door hem geopende depotrekening heeft betaald, omdat [gedaagde] de huur niet meer wilde aannemen.
5.4.
[gedaagde] betwist dat [eiser] huur heeft betaald. Hij erkent weliswaar dat [eiser] hem twee keer een vergoeding heeft gegeven, maar voert aan dat dit lagere bedragen zijn geweest dan [eiser] stelt en dat deze bedragen alleen bestemd waren als vergoeding voor het gebruik van gas, water, licht en internet.
5.5.
[eiser] heeft verder niet onderbouwd dat hij de door hem gestelde bedragen aan [gedaagde] heeft betaald voor het gebruik van de woonruimte. Naar het (voorlopig) oordeel van de kantonrechter heeft hij dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij huur heeft betaald en dat er dus sprake is van een huurovereenkomst.
5.6.
[eiser] heeft weliswaar aangeboden bewijs van zijn stelling te leveren, maar voor bewijslevering is in een kortgedingprocedure in beginsel geen plaats, en er is niet voldoende gesteld of gebleken dat er in deze zaak redenen zijn om van dat uitgangspunt af te wijken. Aan het bewijsaanbod wordt dan ook voorbij gegaan.
5.7.
Aangezien niet vast is komen te staan dat er sprake is van een huurovereenkomst, kan niet worden geoordeeld dat [gedaagde] verplicht is om de nutsvoorzieningen aan te sluiten en [eiser] rustig woongenot te verschaffen. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
5.8.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken door
mr. U. van Houten op 21 oktober 2025.