ECLI:NL:RBOVE:2025:6226

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
05.008577.23 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 311 SrArt. 63 SrArt. 359 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling verdachte tot taakstraf voor ladingdiefstal en brandstofdiefstal

De rechtbank Overijssel heeft op 28 oktober 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van diefstal van 783 kilo koffie uit een vrachtwagen en van brandstofdiefstal bij een tankstation. De feiten vonden plaats op 15 oktober 2022 te Denekamp en Apeldoorn. Verdachte heeft de feiten bekend en is samen met anderen schuldig bevonden aan diefstal door middel van braak en verbreking.

Het bewijs bestond uit verklaringen van aangevers, het proces-verbaal van de terechtzitting, en aanvullende verhoren. De rechtbank achtte de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten. De strafbaarheid van de feiten is vastgesteld op basis van de artikelen 47 en 311 Sr.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de omvangrijke schade voor de transportsector, het strafblad van verdachte en zijn positieve gedragsverandering. Ook werd een overschrijding van de redelijke termijn van ruim acht maanden gecompenseerd. Uiteindelijk werd een taakstraf van 50 uur opgelegd, met een vervangende hechtenis van 25 dagen bij niet-naleving, en aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur met vervangende hechtenis van 25 dagen wegens ladingdiefstal en brandstofdiefstal.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 05.008577.23 (P)
Datum vonnis: 28 oktober 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats],
verblijvende in woonvoorziening [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. M.A. Prins, advocaat in 's-Hertogenbosch, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1
al dan niet samen met een ander of anderen een grote hoeveelheid koffie heeft gestolen uit een vrachtwagen;
feit 2
brandstof heeft getankt zonder te betalen.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 15 oktober 2022 te Denekamp, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 783 kilo koffie, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
2
hij op of omstreeks 15 oktober 2022 te Apeldoorn, althans in Nederland, brandstof, althans enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Esso Apeldoorn, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. [1]
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 oktober 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1], van 18 oktober 2022, pagina’s 180 t/m 182, voor zover inhoudende de verklaring van aangever;
3.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor van [aangever 1], van 2 januari 2023, met bijlagen, pagina’s 183 t/m 195, voor zover inhoudende de verklaring van aangever;
4.
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2], namens Esso Apeldoorn, van 23 oktober 2022, pagina’s 426 t/m 428, voor zover inhoudende de verklaring van aangever.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij op 15 oktober 2022 te Denekamp, tezamen en in vereniging met anderen, 783 kilo koffie, die aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en verbreking;
2
hij op 15 oktober 2022 te Apeldoorn, brandstof, die geheel aan Esso Apeldoorn toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47 en 311 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.
feit 2
het misdrijf: diefstal
.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een taakstraf voor de duur van vijftig uren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met artikel 63 Sr Pro en overschrijding van de redelijke termijn.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf een passende straf is. Ten aanzien van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich samen met medeverdachten schuldig gemaakt aan het plegen van een ladingdiefstal in de nacht uit de oplegger van een vrachtwagen die op een afgesloten terrein op een bedrijventerrein stond geparkeerd. Daartoe is een gat in het gaas van het hekwerk om het terrein gemaakt en is het toegangshek geopend. Het zeil van de oplegger is opengesneden. Het terrein is meerdere malen betreden en er is een grote hoeveelheid koffie gestolen. Voor de transportsector is een ladingdiefstal een grote schadepost. Niet alleen in de vorm van directe materiële schade, maar ook als gevolg van verhoogde verzekeringspremies en de noodzaak tot het nemen van steeds verdergaande maatregelen ter voorkoming van deze vorm van criminaliteit. Verdachte heeft met dit alles geen rekening gehouden en heeft slechts gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 6 september 2025. Verdachte heeft een omvangrijk strafblad en is meermalen veroordeeld voor met name gelijksoortige misdrijven. Artikel 63 Sr Pro is van toepassing, gelet op het arrest van 18 juli 2024 en 4 december 2023 en de vonnissen van 31 januari 2025,
5 december 2024, 1 oktober 2024, 1 september 2023, 28 november 2022 en 16 november 2022. Verdachte heeft verplicht reclasseringstoezicht.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de gewijzigde proceshouding van verdachte, in die zin dat hij volledig openheid van zaken heeft gegeven. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van voortgangsverslag van 13 oktober 2025 dat is opgesteld door de persoonlijk begeleider van verdachte van de woonvoorziening ‘[woonplaats]’ waar hij verblijft. Uit het voortgangsverslag en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, is onder meer gebleken dat verdachte een positieve wending aan zijn leven heeft gegeven. Er is stabiliteit op het gebied van wonen en dagbesteding. Verdachte moet nog een taakstraf verrichten. Na afronding daarvan is hij voornemens zijn traject naar betaald werk te hervatten.
Tot slot houdt de rechtbank rekening met een schending van de redelijke termijn in deze zaak.
Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt.
Verdachte is in de onderhavige zaak op 1 maart 2023 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.
Tussen 1 maart 2023 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim 32 maanden. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van 8 maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf.
Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging is het uitgangspunt bij het plegen van een ladingdiefstal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Wanneer er sprake is van recidive is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden. De eerdergenoemde omstandigheden geven echter aanleiding om in het voordeel van verdachte van dit uitgangspunt af te wijken. Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op van 50 uur te vervangen door 25 dagen hechtenis indien deze niet naar behoren wordt verricht, en met aftrek van de in verzekering doorgebrachte tijd, passend en geboden. Hoewel verdachte een even grote rol bij het feit heeft gehad als zijn medeverdachten, is de straf die wordt opgelegd aan verdachte lager omdat de rechtbank zwaar gewicht toekent aan het feit dat artikel 63 Sr Pro meermaals van toepassing is, terwijl het allemaal veroordelingen betreffen voor soortgelijke feiten en verdachte na een periode van veroordelingen, positieve wending aan zijn leven heeft gegeven.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c en 22d Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;
feit 2
het misdrijf: diefstal
;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
50 (vijftig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
25 (vijfentwintig) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en
mr. T.H. Kapinga, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.
Buiten staat
Mrs Ellenbroek en Kapinga zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2022602109. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.