Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald op 9 juli 2025;
- de aanvullende stukken van [eiser] ;
- de reactie van [gedaagde] ;
Rechtbank Overijssel
Partijen sloten op 26 januari 2024 een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte, waarop algemene voorwaarden met boetebepalingen van toepassing waren. De huurovereenkomst werd op 3 september 2024 door de kantonrechter ontbonden wegens wanprestatie van de huurder (gedaagde).
De gedaagde ontruimde de bedrijfsruimte op 19 september 2024, waarna de eiser een nieuwe huurder vond per 1 februari 2025. De eiser vorderde betaling van schadevergoeding wegens leegstand en kosten van wederverhuur, alsmede vergoeding van proceskosten.
De gedaagde betwistte de vorderingen deels en stelde onder meer dat hij betalingen had gedaan en recht had op teruggave van de waarborgsom. De rechtbank oordeelde dat de gedaagde niet voldoende had weersproken dat hij nog een bedrag verschuldigd was conform het vonnis van 3 september 2024 en dat de schade en kosten door de tussentijdse beëindiging waren veroorzaakt.
De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van € 6.908,25 plus wettelijke rente vanaf dagvaarding en tot vergoeding van proceskosten van € 1.219,02. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 6.908,25 plus wettelijke rente en proceskosten van € 1.219,02.