ECLI:NL:RBOVE:2025:6554

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
AK_25_3218
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering WIA-uitkering door UWV

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 14 augustus 2025 waarin haar per 16 juni 2025 de WIA-uitkering werd geweigerd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% zou zijn. Zij vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster geen inkomen en vermogen heeft en daarom een spoedeisend belang heeft bij de voorziening. Het verzoek om vrijstelling van griffierecht werd daarom toegewezen. Het medisch onderzoek door een verzekeringsarts concludeerde dat verzoekster een matige depressie en gegeneraliseerde angststoornis heeft, maar niet volledig arbeidsongeschikt is. De arbeidsdeskundige stelde vast dat verzoekster met beperkingen nog in staat is om werk te verrichten dat leidt tot minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

De voorzieningenrechter vond geen aanleiding om aan het oordeel van de arts en arbeidsdeskundige te twijfelen en concludeerde dat het bezwaar waarschijnlijk niet zal slagen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter benadrukte dat verzoekster zich tot de gemeente Hardenberg moet wenden voor bijstand als vangnet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3218

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: mr. M.W.L. Clemens.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft het UWV verzoekster meegedeeld dat zij met ingang van 16 juni 2025 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.2
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het UWV.

Vrijstelling griffierecht

2. Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet op de financiële situatie van verzoekster, zoals deze uit de stukken en ter zitting is gebleken, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling. Verzoekster heeft geen inkomen en geen vermogen. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom toegewezen.

Spoedeisend belang

3. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Hiervoor is de vraag van belang of de betrokkene een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
3.1
Verzoekster heeft vanaf de weigering van de WIA-uitkering geen inkomsten meer. Zij heeft bankafschriften overgelegd en heeft verklaard dat zij geen inkomen en geen vermogen heeft. Op een bijstandsaanvraag is nog niet beslist. De voorzieningen ziet daarom aanleiding een spoedeisend belang aan te nemen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4.1
De voorzieningenrechter verricht een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het onderliggende besluit en daarmee van de kans van slagen van het bezwaarschrift en hij weegt de belangen van de partijen bij een schorsing. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen bij een schorsing.
Een rechtmatigheidsoordeel is een voorlopig oordeel. In een eventuele beroepsprocedure is de bodemrechter daar niet aan gebonden.
4.2
De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Standpunten van partijen
5.1
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat verzoekster met ingang van 16 juni 2025 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%. Het UWV acht verzoekster met haar beperkingen in staat werk te verrichten. Met dit werk zou zij 27,43% kunnen verdienen van het loon dat zij verdiende in haar werk als kok voor gemiddeld 36 uur per week.
5.2
Verzoekster stelt – kort samengevat - dat onvoldoende rekening is gehouden met haar mentale belastbaarheid en feitelijk dagelijks functioneren. Zij acht zich niet in staat tot werken. Haar mentale gezondheid is nog verre van hersteld. Haar energie is zeer wisselend en beperkt. Verzoekster dissocieert regelmatig, heeft dagelijks te maken met mentale strijd en neerslachtigheid, slaapt onregelmatig, heeft een onzeker vooruitzicht qua woonplek (en uiteraard financiën) en heeft geen stabiel dagritme. Desondanks wordt zij geschikt geacht voor werk, op basis van observaties waar zij zich niet in herkent en die zij dus totaal niet begrijpt. Recent heeft verzoekster een behandelaar toegewezen gekregen, nadat zij maanden op de wachtlijst heeft gestaan.
Het medische onderzoek en de vastgestelde beperkingen
6.1
Aan het bestreden besluit ligt een medisch onderzoek ten grondslag door een arts van het UWV. Deze arts heeft verzoekster zelf gezien, gesproken en psychisch onderzocht (door waarneming) op zijn spreekuur. Ook heeft hij de voorhanden medische informatie van de behandelaars van verzoekster in zijn beoordeling betrokken. Zijn conclusies heeft de arts voldoende begrijpelijk neergelegd in het rapport van 23 juli 2025.
6.2
De arts heeft in zijn rapport van 23 juli 2025 vastgesteld dat verzoekster volledig arbeidsongeschiktheid claimt. Hij kan haar niet volgen in deze claim, omdat er geen sprake is van geen benutbare mogelijkheden (GBM). Verzoekster voldoet niet aan de criteria die gelden voor het aannemen van GBM. Zij ervaart mentale belemmeringen. Zij heeft nog geen reguliere behandeling gehad, maar staat op de wachtlijst. Op basis van de anamnese en psychisch onderzoek heeft de arts geconcludeerd dat verzoekster voldoet aan de criteria van een depressie, matig, en een gegeneraliseerde angststoornis. De arts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin rekening is gehouden met beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. Ook heeft hij een urenbeperking aangenomen tot zes uur per dag/30 uur per week. Hij acht verzoekster niet geschikt voor avond/nacht/onregelmatige diensten.
6.3
De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten om vooralsnog te twijfelen aan het oordeel van arts. Op dit moment is niet gebleken dat het onderzoek onvolledig is geweest en/of dat de arts een onjuist beeld heeft gehad van de gezondheidssituatie van verzoekster en daardoor de mogelijkheden van verzoekster op de datum in geding heeft overschat. Er is geen medische informatie in geding gebracht waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Mogelijk dat medische informatie van de huidige (recente) behandelaar en/of het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot een andere conclusie ten aanzien van de belastbaarheid van verzoekster leidt, maar dat is op dit moment nog niet bekend en de voorzieningenrechter kan daar niet op vooruit lopen.
De arbeidskundige grondslag
7. Uitgaande van de FML van 23 juli 2025 heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat verzoekster met ingang van 16 juni 2025 in staat is om functies te vervullen, waarmee zij minder dan 35% arbeidsongeschikt moet worden geacht. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te concluderen dat de arbeidsdeskundige onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van verzoekster op de in geding zijnde datum. De voorzieningenrechter ziet op basis van de thans voorhanden informatie ook geen aanleiding te concluderen dat de arbeidsdeskundige ten onrechte heeft vastgesteld dat verzoekster minder dan 35% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Met een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht op een WIA-uitkering.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding te concluderen dat het bestreden besluit onjuist moet worden geacht. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding aan te nemen dat het bezwaar zal slagen. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen.
9. Bij het vorenstaande merkt de voorzieningenrechter verder op dat de Participatiewet (PW) in geschillen als deze, waarbij het gaat om de weigering van een WIA-uitkering, waardoor de betrokkene geen inkomen meer heeft, de meest aangewezen regeling is om de betrokkene te verzekeren van middelen, waarmee zij in haar levensonderhoud kan voorzien. Bijstand is in de sociale zekerheid immers het vangnet voor wie niet op andere wijze kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De voorzieningenrechter acht het daarom van belang dat de gemeente Hardenberg , waar inmiddels een bijstandsaanvraag loopt, zo spoedig mogelijk een besluit neemt en eventueel een voorschot verleent. Verzoekster dient zich hiervoor te wenden tot de gemeente Hardenberg .

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.