Uitspraak
1.Waar gaat de zaak over?
2.De procedure
- het getuigenverhoor van 1 oktober 2025.
Rechtbank Overijssel
Partij B huurde vanaf 1 november 2023 bedrijfsruimte van partij A en betaalde alleen de waarborgsom, niet de huur. Partij A vordert betaling van huurpenningen tot 1 januari 2025, de datum van ontruiming. Partij B stelt dat zij pas huur verschuldigd was vanaf het moment dat nutsvoorzieningen aanwezig waren, maar slaagt niet in haar bewijsopdracht. De kantonrechter oordeelt dat de mondelinge afspraken onvoldoende zijn onderbouwd en dat de schriftelijke overeenkomst bepalend is.
Partij B voert verder aan dat zij schade heeft geleden door het ontbreken van nutsvoorzieningen en dat de huurovereenkomst onterecht is opgezegd. De kantonrechter wijst deze verweren af, onder meer omdat het beding dat opschorting van betaling verbiedt niet onredelijk bezwarend is gebleken en de opzegging niet rechtsgeldig was. Daarnaast is het beroep op schadevergoeding niet geslaagd wegens onvoldoende bewijs van nakoming inspanningsverplichting door partij A en causaliteit.
De rechtbank veroordeelt partij B tot betaling van € 25.410 aan huurpenningen, verminderd met de betaalde waarborgsom, plus wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten. De vorderingen van partij B worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huurpenningen met rente en kosten, vorderingen tot schadevergoeding worden afgewezen.