ECLI:NL:RBOVE:2025:6602

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/08/327997 / HA ZA 25-34
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over juridische entiteiten in contractuele overeenkomst met proceskostenveroordeling

In deze zaak, die werd behandeld door de Rechtbank Overijssel, stond de vraag centraal of de juiste juridische entiteiten betrokken waren bij een contractuele overeenkomst. De eiser, [bedrijf 1] V.O.F., stelde dat er sprake was van een verschrijving in de betrokken partijen, terwijl de gedaagde, [bedrijf 4] B.V., betoogde dat de vorderingen van [bedrijf 1] niet ontvankelijk waren omdat de juiste partijen niet waren gedagvaard. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een kennelijke verschrijving en dat [bedrijf 1] niet in een rechtsverhouding stond tot [bedrijf 4] B.V. De rechtbank wees de vorderingen van [bedrijf 1] af en veroordeelde hen tot betaling van de proceskosten, die zijn vastgesteld op € 2.120,00. In reconventie werden de vorderingen van [bedrijf 4] eveneens afgewezen, maar de proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten droeg. Het vonnis werd uitgesproken op 12 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/327997 / HA ZA 25-34
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[bedrijf 1] V.O.F.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1],
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. J.F.H. Teunissen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 4] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2],
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf 4] ,
advocaat: mr. P.H.A. Mulder.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2025,
- de spreekaantekeningen van mr. Teunissen, die zijn voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling van 30 september 2025,
- de spreekaantekeningen van mr. Mulder, die zijn voorgedragen tijdens de mondelinge behandeling van 30 september 2025,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 september 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van 30 september 2025 betrof een gecombineerde mondelinge behandeling. Aan de orde waren deze zaak en een zaak die bij deze rechtbank bekendstaat onder nummer C/08/335162 / HA ZA 25-207. In de laatstgenoemde zaak zijn de partijen [bedrijf 3] V.O.F. enerzijds en [bedrijf 2] B.V. anderzijds.
1.3.
Aansluitend is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De rechtbank verwijst naar wat eerder is overwogen in het tussenvonnis van 28 mei 2025.
In conventie
2.2.
Het standpunt van [bedrijf 4] is dat zowel de eisende partij (in conventie) als de gedaagde partij (in conventie) niet de juiste entiteiten zijn. Volgens [bedrijf 4] is er een samenwerkingsovereenkomst tot stand gekomen waarbij partij zijn [bedrijf 3] V.O.F. en [bedrijf 2] B.V. Met betrekking tot die samenwerkingsovereenkomst bestaat volgens [bedrijf 4] een geschil, maar dat betreft dus een geschil tussen [bedrijf 3] V.O.F. en [bedrijf 2] B.V., en niet tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 4] . [bedrijf 4] betoogt dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf 1] .
2.3.
[bedrijf 1] heeft erkend dat de benaming van gedaagde (in conventie) [bedrijf 2] B.V. had moeten zijn, en niet [bedrijf 4] B.V. [bedrijf 1] heeft eveneens erkend dat de benaming van eiseres (in conventie) [bedrijf 3] V.O.F. had moeten zijn en niet [bedrijf 1] V.O.F. Volgens [bedrijf 1] zijn dit kennelijke verschrijvingen geweest. [bedrijf 1] verzoekt de rechtbank haar toe te staan om deze kennelijke verschrijvingen te rectificeren.
2.4.
De rechtbank verwerpt het standpunt van [bedrijf 1] . Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een kennelijke verschrijving, in ieder geval niet waar het de gedaagde partij (in conventie) betreft. [bedrijf 4] B.V. is een bestaande vennootschap, die moet worden onderscheiden van [bedrijf 2] B.V. Wanneer in plaats van [bedrijf 2] B.V. dus [bedrijf 4] B.V. wordt gedagvaard, kan per definitie geen sprake zijn van een kennelijke verschrijving. Dit zou ook tot een ontoelaatbare partijwisseling leiden.
2.5.
De rechtbank constateert dat [bedrijf 1] niet in een rechtsverhouding staat tot [bedrijf 4] , althans niet in een rechtsverhouding waarop de door [bedrijf 1] in deze procedure ingestelde vorderingen zijn gegrond. De vorderingen van [bedrijf 1] in conventie moeten daarom worden afgewezen.
2.6.
[bedrijf 1] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten in conventie van [bedrijf 4] worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.120,00
In (voorwaardelijke) reconventie
2.7.
[bedrijf 4] heeft een reconventionele vordering ingesteld. Een deel daarvan is onvoorwaardelijk ingesteld en een deel voorwaardelijk.
2.8.
Voor de reconventionele vordering geldt hetzelfde als voor de vordering in conventie. [bedrijf 4] (eiseres in reconventie) staat niet in een rechtsverhouding tot [bedrijf 1] , althans niet in een rechtsverhouding waarop de door [bedrijf 4] in deze procedure ingestelde vorderingen in reconventie zijn gegrond. De vorderingen van [bedrijf 4] in reconventie moeten daarom worden afgewezen. Dat geldt zowel voor het onvoorwaardelijke deel als voor het voorwaardelijke deel. Voor een nadere onderbouwing verwijst de rechtbank naar de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.4 van dit vonnis.
2.9.
De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten in reconventie te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt omdat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld. Hoewel [bedrijf 4] in reconventie in het ongelijk wordt gesteld en zij dus in beginsel in de proceskosten zou moeten worden veroordeeld, is het naar het oordeel van de rechtbank begrijpelijk dat zij ervoor heeft gekozen om een reconventionele vordering in te stellen. [bedrijf 4] / [bedrijf 2] B.V. meende immers een tegenvordering te hebben op [bedrijf 1] / [bedrijf 3] , uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst. Op het moment dat [bedrijf 4] voor de keuze stond om al dan niet een reconventionele vordering in te stellen, kon zij niet weten hoe in het vervolg van de procedure zou worden omgegaan met het feit dat niet [bedrijf 2] B.V. maar [bedrijf 4] B.V. was gedagvaard, terwijl de conclusie van antwoord het laatste moment waarop in een procedure een reconventionele vordering kan worden ingesteld. Daarbij komt dat het [bedrijf 1] is geweest dat deze procedure heeft ingeleid met onjuiste entiteiten, niet [bedrijf 4] .

3.De beslissing

De rechtbank
In conventie
3.1.
wijst de vorderingen van [bedrijf 1] af,
3.2.
veroordeelt [bedrijf 1] – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
In (voorwaardelijke) reconventie
3.3.
wijst de vorderingen van [bedrijf 4] af,
3.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.