ECLI:NL:RBOVE:2025:6607

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
11717857 \ CV EXPL 25-939
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vervangende schadevergoeding in het kader van een aannemingsovereenkomst

In deze zaak vorderen eisers, [eiser 1] en [eiser 2], vervangende schadevergoeding van gedaagde, die handelt onder de naam [bedrijf]. De procedure is gestart met een dagvaarding op 19 mei 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 15 oktober 2025. De eisers hebben op 21 augustus 2023 een aannemingsovereenkomst gesloten met gedaagde voor de verbouwing van hun woning, met een afgesproken aanneemsom van € 106.794,60. Tot eind april 2024 zijn de werkzaamheden niet afgerond, waarna eisers gedaagde in gebreke hebben gesteld. Gedaagde heeft niet gereageerd op de ingebrekestelling en heeft de werkzaamheden niet voltooid. Op 18 juli 2024 hebben eisers de verbintenis tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding, die door gedaagde niet is betwist. De kantonrechter heeft vastgesteld dat gedaagde in verzuim is geraakt en heeft de vordering tot vervangende schadevergoeding van € 12.398,98 toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 oktober 2024. Daarnaast zijn buitengerechtelijke kosten van € 898,99 toegewezen, evenals de proceskosten van € 1.828,71. Het vonnis is uitgesproken op 11 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11717857 \ CV EXPL 25-939
Vonnis van 11 november 2025
in de zaak van

1.[eiser 1],

2.
[eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats 1],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf],
gevestigd te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 mei 2025 met producties 1 t/m 15;
- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 15 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisers] en [gedaagde] hebben op 21 augustus 2023 een aannemingsovereenkomst gesloten ten behoeve van een verbouwing van de woning van [eisers] In deze overeenkomst hebben partijen afgesproken dat de aanneemsom
€ 106.794,60 inclusief btw bedraagt en dat deze aanneemsom in verschillende termijnen zal worden betaald. Verder is vastgelegd dat de verbouwing in oktober 2023 zou starten en uiterlijk in februari 2024 zou worden afgerond.
2.2.
In totaal heeft [eisers] aan [gedaagde] een bedrag van € 96.115,14 inclusief btw betaald.
2.3.
Eind april 2024 waren de werkzaamheden in de woning nog niet afgerond, waarna [eisers] bij brief op 31 mei 2024 [gedaagde] in gebreke heeft gesteld. [eisers] heeft [gedaagde] medegedeeld dat als hij niet binnen een termijn van 14 dagen bevestigt bereid te zijn om de schade te herstellen, dat hij dan in verzuim is. [eisers] benoemt daarbij dat als het verzuim intreedt, dat dan de openstaande werkzaamheden en het herstel van de gebreken zullen worden uitgevoerd door een derde partij en de daarvoor gemaakte kosten en eventuele vervolgschade op [gedaagde] worden verhaald.
In de brief worden de nog uit te voeren werkzaamheden beschreven:
- Totale schuifpui van de uitbouw;
- Raampartij inclusief kozijn en vensterbank van de dakkapel (badkamer en slaapkamer);
- Tussendeur tussen gang en woonkamer;
- Het afwerken van de aansluiting van de aanbouw;
- Gereedmaken afvoerkanaal afzuigkap;
- Afwerken aansluiting daken tussen nummer 36 en 38;
- Plaatsen panelen achter eetkamerbank;
- Plaatsen (schappen)kast tussen keuken en woonkamer.
Ook benoemt [eisers] gebreken aan al door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden:
- Tegelvloer badkamer (afschot ontbreekt volledig);
- Vastzetten van de deurklinken (alle borgschroeven ontbreken)
2.4.
Op 15 juni 2024 waren de door [eisers] benoemde gebreken niet hersteld. Op 18 juli 2024 heeft de gemachtigde van [eisers] in een brief aan [gedaagde] medegedeeld dat [eisers] geen nakoming meer vordert maar vervangende schadevergoeding en dat later nog terug zal worden gekomen op de hoogte van deze schadevergoeding.
2.5.
Op 14 oktober 2024 stuurt de gemachtigde van [eisers] aan [gedaagde] een brief met als bijlagen een aantal offertes en een factuur. In de brief aan [gedaagde] staat onder meer:
“Inmiddels is de hoogte van de vervangende schadevergoeding bekend. Het aansluiten en
afwerken van de aanbouw is inmiddels uitgevoerd. Ten aanzien van de overige gebreken heeft cliënt herstel offertes opgevraagd.
(…)
De totale kosten voor herstel komen hiermee uit op een bedrag ad. € 23.078,44. Op dit moment is de eindafrekening nog niet gefactureerd en zouden cliënten u — na oplevering — nog een bedrag ad. € 10.679,46 verschuldigd zijn. Dit bedrag verrekenen cliënten met het hiervoor genoemde schadebedrag, zodat er nog een bedrag openblijft ter hoogte van € 12.398,98. Cliënten maken op grond van vervangende schadevergoeding dan ook aanspraak op het bedrag ad. € 12.398,98.
Derhalve verzoek ik u, voor zover rechtens vereist sommeer ik u, om er zorg voor te dragen dat voornoemd bedrag groot € 12.398,98 uiterlijk binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief is bijgeschreven op het rekeningnummer van cliënten.”
2.6.
Tot op heden heeft [gedaagde] de vordering van [eisers] niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert - samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde]:
I. veroordeelt tot betaling aan [eisers] van een hoofdsom van € 12.398,98 aan (vervangende) schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juli 2024;
II. veroordeelt tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 898,99 aan buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2025;
III. veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
3.2.
[eisers] legt aan de vordering ten grondslag dat tussen [eisers] en [gedaagde] een aannemingsovereenkomst is gesloten waarin onder meer is vastgelegd dat [gedaagde] in oktober 2023 zou starten met verbouwingswerkzaamheden en dat deze werkzaamheden uiterlijk in februari 2024 zouden worden afgerond. [gedaagde] heeft volgens [eisers] deze termijn niet gehaald en heeft hij ook daarna, ondanks dat hij meermaals de mogelijkheid heeft gekregen om de werkzaamheden alsnog af te ronden, deze werkzaamheden niet afgerond. Daarnaast stelt [eisers] schade te hebben geleden door het gebrekkige en niet uitvoeren van bepaalde werkzaamheden.
3.3.
[gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd. Wel heeft hij bij conclusie van antwoord onder meer benoemd dat hij in het najaar van 2024 bij ROZ in Hengelo hulp heeft gezocht vanwege financiële problemen en dat hij vanwege die problemen niet in staat is om het gevorderde bedrag in een keer te betalen. Hij is zich bewust van het openstaande bedrag en vindt het vervelend hoe alles is verlopen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eisers] vordert vervangende schadevergoeding van [gedaagde]. Op grond van artikel 6:87 Burgerlijk Wetboek (hierna ‘BW’) kan een schuldeiser de verbintenis tot nakoming omzetten in vervangende schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk informeert dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. Hierna beoordeelt de kantonrechter eerst of [gedaagde] in verzuim is geraakt en vervolgens of hij schadevergoeding moet betalen.
Is [gedaagde] in verzuim geraakt?
4.2.
Bij dagvaarding heeft [eisers] gesteld en ter onderbouwing daarvan producties overgelegd waaruit blijkt dat [eisers] en [gedaagde] een aannemingsovereenkomst hebben gesloten waarin in vastgelegd dat [gedaagde] in oktober 2023 zou starten met de verbouwing van de woning van [eisers] en deze verbouwing uiterlijk in februari 2024 zou zijn afgerond. Op 31 mei 2024 heeft [eisers] [gedaagde] in gebreke gesteld omdat de verbouwing toen nog niet was afgerond en sprake was van gebreken. [gedaagde] heeft vervolgens veertien dagen de tijd gekregen om alsnog de verbouwing af te ronden en de gebreken te herstellen, maar hij heeft van die termijn geen gebruik gemaakt. Door [gedaagde] is niet betwist dat de verbouwing op 15 juni 2024 niet was afgerond, dat sprake was van gebreken en dat deze gebreken niet zijn hersteld. De kantonrechter stelt dan ook vast dat [gedaagde] per 15 juni 2024 in verzuim is geraakt.
Moet [gedaagde] vervangende schadevergoeding betalen en zo ja hoeveel?
4.3.
Nadat [gedaagde] per 15 juni 2024 in verzuim is geraakt, heeft [eisers] op
18 juli 2024 de verbintenis tot nakoming van de aannemingsovereenkomst omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding via een zogenoemde omzettingsverklaring. De kantonrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor deze omzetting zoals bepaald in artikel 6:87 BW is voldaan. [gedaagde] moet dan ook vervangende schadevergoeding aan [eisers] betalen. De hoogte van de vervangende schadevergoeding is door [eisers] gesteld op een bedrag van € 12.398,98 en de hoogte van dit bedrag is door [gedaagde] niet betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van dit bedrag en de vordering ter hoogte van dit bedrag zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Vanaf wanneer gaat de wettelijke rente over de vervangende schadevergoeding lopen?
4.4.
[eisers] heeft gevorderd dat [gedaagde] vanaf 18 juli 2024, althans vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, wettelijke rente moet betalen over het toe te wijzen bedrag aan vervangende schadevergoeding. De kantonrechter overweegt dat de wettelijke rente is bedoeld als vergoeding voor de vertraging in de betaling van een geldsom. De vervangende schadevergoeding is door [eisers] voor het eerst gevorderd bij brief aan [gedaagde] van 14 oktober 2024. De vervaldatum waarbinnen de vordering moest worden betaald, is door [eisers] gesteld op twee weken. Omdat binnen die termijn de vordering nog niet was betaald, is de vordering direct na die twee weken opeisbaar geworden. De kantonrechter zal de ingangsdatum van de wettelijke rente over de vervangende schadevergoeding dan ook vaststellen op 29 oktober 2024.
Buitengerechtelijke kosten
4.5.
[eisers] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. [eisers] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan moet worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de kantonrechter de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. [eisers] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eisers] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 898,99 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,71
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.828,71
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van een vervangende schadevergoeding van € 12.398,98, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 29 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 898,99 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.828,71, te betalen aan [eisers] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.