ECLI:NL:RBOVE:2025:6618

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
AK_25_2591
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 3:45 WajongArt. 3:37 WajongArt. 3:38 WajongArt. 3:74 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen tegen schorsing Wajong-uitkering door UWV

Verzoeker ontvangt sinds zijn achttiende verjaardag een Wajong-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid en werkt daarnaast als zelfstandig ondernemer. Het UWV heeft de uitkering per 1 september 2025 stopgezet omdat verzoeker niet tijdig de gevraagde financiële gegevens over 2022 tot en met 2024 aanleverde. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het UWV het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, met name doordat niet is vermeld op welke wettelijke grondslag het besluit is gebaseerd. Ook is geen hersteltermijn gesteld, terwijl dit volgens de beleidsregels verplicht is tenzij sprake is van onherstelbaar verzuim, wat hier niet het geval is. Daarnaast is onduidelijk waarom het UWV de gegevens over meerdere jaren vroeg en waarom dit plotseling in 2025 gebeurde.

Verzoeker heeft bovendien aannemelijk gemaakt dat hij door problemen met zijn vorige boekhouder niet in staat is de gevraagde stukken tijdig te leveren. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij schorsing van het besluit, omdat hij anders niet over voldoende middelen beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien.

De voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor de uitbetaling van de Wajong-uitkering wordt hervat tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is definitief en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.

Uitkomst: Het besluit van het UWV om de Wajong-uitkering te schorsen wordt geschorst en de uitkering wordt hervat tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2591

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. J.C. Walker,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 2 september 2025 heeft het UWV verzoeker meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 1 september 2025 niet langer wordt uitbetaald.
1.2
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verzoeker. Het UWV was met kennisgeving afwezig.

Spoedeisend belang

2.1
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist.
2.2
Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Als gevolg van het bestreden besluit ontvangt hij met ingang van 1 september 2025 niet langer een Wajong-uitkering. Hij beschikt daardoor niet over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
2.3
Het UWV heeft het spoedeisend belang bestreden. Van een acute financiële of sociale noodsituatie is niet gebleken. Verder ontvangt verzoeker inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden, waarmee hij over voldoende middelen kan beschikken, aldus het UWV.
2.4
De voorzieningenrechter ziet aanleiding een spoedeisend belang aan te nemen. Verzoeker ontvangt vanaf 1 september 2025 niet langer een Wajong-uitkering, waardoor hij over onvoldoende inkomsten beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Voorshands is niet gebleken dat verzoeker over een alternatieve inkomstenbron beschikt. Verzoeker heeft gegevens overgelegd waaruit blijkt van betalingsachterstanden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen onder meer of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Dit rechtmatigheidsoordeel is een voorlopig oordeel. In een eventuele beroepsprocedure is de bodemrechter daar niet aan gebonden.
Totstandkoming van het besluit
4.1
Verzoeker ontvangt vanaf 17 juli 2001, zijn achttiende verjaardag, een Wajong-uitkering in verband met volledige arbeidsongeschiktheid. Verzoeker heeft ter zitting bevestigd dat hij een ‘oude’ Wajong (op grond van Hoofdstuk 3 van de Wajong) ontvangt. Daarnaast werkt hij als zelfstandig ondernemer.
4.2
Bij brief van 2 april 2025 heeft het UWV verzoeker verzocht uiterlijk 16 april 2025 een kopie van zijn aangifte inkomstenbelasting over 2022/2023 en 2024, het gemiddelde aantal uren dat hij per week heeft gewerkt in 2022/2023 en 2024, zijn balans en zijn winst- en verliesrekening over 2022/2023 en 2024 en zijn jaarcijfers over 2022/2023 en 2024 op te sturen. Bij brief van 28 april 2025 heeft het UWV gerappelleerd en verzocht uiterlijk op
12 mei 2025 de gevraagde gegevens alsnog op te sturen.
4.3
Bij besluit van 12 juni 2025 heeft het UWV verzoeker meegedeeld dat zijn Wajong-uitkering vanaf 1 juni 2025 niet meer wordt uitbetaald. Doordat verzoeker niet heeft gereageerd op de brieven van 2 april 2025 en 28 april 2025, kon het UWV niet bepalen of hij nog langer een Wajong-uitkering kan krijgen. Met het besluit van 3 juli 2025 heeft het UWV verzoekers bezwaar tegen dit besluit gegrond verklaard. Het UWV heeft verzoeker uitstel verleend voor het aanleveren van de gevraagde stukken. Bij besluit van 4 juli 2025 heeft het UWV verzoeker meegedeeld dat zijn Wajong-uitkering vanaf 1 juni 2025 weer wordt betaald.
4.4
Bij brief van 4 juli 2025 is verzoekers gemachtigde tot 1 augustus 2025 uitstel verleend voor het opsturen van verzoekers balans en winst- en verliesrekening en aangifte inkomstenbelasting over 2022, 2023 en 2024. Bij brief van 11 augustus 2025 heeft het UWV gerappelleerd en verzoeker verzocht uiterlijk 22 augustus 2025 de gevraagde gegevens op te sturen. Een kopie van de brief is aan verzoekers gemachtigde verzonden. Omdat het UWV de gevraagde gegevens niet heeft ontvangen, heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.
Standpunten van partijen
5.1
Het UWV stelt zich op het standpunt dat de uitbetaling van de Wajong-uitkering met ingang van 1 september 2025 terecht is geschorst. Om te bepalen of verzoeker met ingang van 1 januari 2022 (en per toekomende datum) onverminderd recht heeft op een Wajong-uitkering, heeft het UWV de balans en winst- en verliesrekening over de kalenderjaren 2022, 2023 en 2024 opgevraagd. Het UWV heeft herhaaldelijk gevraagd deze gegevens op te sturen, maar heeft deze tot nu toe niet ontvangen. Als gevolg hiervan kan het recht op Wajong-uitkering met ingang van 1 januari 2022 niet worden vastgesteld.
5.2
Verzoeker stelt dat de gevraagde gegevens niet noodzakelijk zijn om het recht op Wajong-uitkering per 1 september 2025 vast te stellen, omdat deze betrekking hebben op de jaren 2022 tot en met 2024. Het UWV heeft tot op heden niet kunnen motiveren waarom de gevraagde stukken hiervoor wel noodzakelijk zijn. Verzoeker is daarom van mening dat het niet verstrekken van de gegevens niet ten grondslag kan worden gelegd aan het niet uitbetalen van zijn Wajong-uitkering per 1 september 2025. Daarnaast heeft verzoeker erover geklaagd dat het UWV niet heeft gemotiveerd waar de bevoegdheid op is gebaseerd om de betaling van de Wajong-uitkering op te schorten.
Beoordelingskader
6.1
Op grond van artikel 3:45, tweede lid, van de Wajong schort het UWV de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst het de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering bestaat;
c. de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel 3:37, 3:38 of 3:74 van de Wajong niet of niet behoorlijk is nagekomen.
6.2
Ingevolge artikel 3:74, eerste lid, van de Wajong zijn de jonggehandicapte, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling, bedoeld in artikel 3:47, waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaald, verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden, waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
6.3
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (de Beleidsregels) wordt, in de gevallen waarin op grond van een wettelijke bepaling sprake is van een schorsing of opschorting van de uitkering, deze geëffectueerd met ingang van de eerstvolgende betaling.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de verzekerde, indien de uitbetaling is geschorst of opgeschort wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting, een termijn gesteld waarbinnen hij alsnog de noodzakelijke inlichtingen kan verstrekken of medewerking kan geven. De vorige zin is niet van toepassing indien de niet of niet behoorlijke nakoming onherstelbaar is.
Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de schorsing of opschorting wordt opgeheven als het recht op uitkering naar behoren is vastgesteld of aan de verplichting is voldaan. Indien aan de verplichting niet is voldaan maar is vastgesteld dat de verzekerde niettemin recht heeft op uitkering, wordt de schorsing of opschorting eveneens opgeheven. Er wordt dan een boete, een maatregel of een waarschuwing opgelegd, tenzij er bij de verzekerde sprake is van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid of er een dringende reden aanwezig is om van die oplegging af te zien.
Beoordeling
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7.1
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat in het bestreden besluit niet is vermeld op welke wettelijke grondslag het UWV zijn besluit heeft gebaseerd. Het komt de rechtbank voor dat het besluit is gebaseerd op artikel 3:45, tweede lid, onderdeel c, van de Wajong, maar dit wordt niet in het besluit vermeld. Alleen al gelet hierop is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Het UWV is niet ter zitting verschenen, waardoor dit niet nader is toegelicht.
7.2
Toepassing van artikel 3:45, tweede lid, onderdeel c, van de Wajong betekent dat de uitbetaling van verzoekers Wajong-uitkering is geschorst in verband met het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting op grond van artikel 3:74 van Pro de Wajong. Voor zover sprake is van een schorsing van de betaling van de Wajong-uitkering, lijkt het UWV met de schorsing van verzoekers Wajong-uitkering de bedoeling te hebben gehad om verzoeker te bewegen de gevraagde gegevens alsnog aan te leveren.
7.3
Anders dan voorgeschreven in artikel 2 van Pro de Beleidsregel is verzoeker bij het bestreden besluit echter geen hersteltermijn geboden, waarbinnen hij alsnog de noodzakelijke gegevens kan verstrekken. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat van een onherstelbaar verzuim in dit geval geen sprake lijkt te zijn.
7.4
Verder maakt de voorzieningenrechter uit het dossier op dat het UWV verzoeker pas in 2024 heeft verzocht de gegevens over 2021 te verstrekken. Verzoeker heeft de gevraagde stukken toen aangeleverd. Niet duidelijk is geworden waarom het UWV verzoeker in 2025 plots heeft verzocht de gegevens over drie jaren aan te leveren. Daarbij komt het de voorzieningenrechter voor dat de gegevens over 2024 begin april 2025 nog niet gereed hoefden te zijn. De voorzieningenrechter stelt dus vast dat het UWV enerzijds gegevens pas na drie jaar heeft opgevraagd, maar anderzijds de gegevens over 2023 en 2024 veel eerder, namelijk na twee jaar, respectievelijk binnen één jaar heeft opgevraagd. Onduidelijk is gebleven waarom het UWV zo heeft gehandeld. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook van belang dat de gegevens over 2021 niet hebben geleid tot korting van verzoekers Wajong-uitkering. Onduidelijk is gebleven of en in hoeverre het UWV de verwachting of het gegronde vermoeden had dat de gegevens over 2022 tot en met 2024 wel zullen leiden tot korting van zijn Wajong-uitkering.
7.5
Verder heeft verzoeker aangevoerd dat hij thans niet in staat is de gevraagde gegevens aan te leveren in verband met problemen met zijn vorige boekhouder. Verzoeker heeft een brief van zijn huidige boekhouder overgelegd. De voorzieningenrechter is niet gebleken in hoeverre het UWV er in zijn besluitvorming rekening mee heeft gehouden, dat verzoeker (nog) niet in staat is de gevraagde gegevens te verstrekken. De voorzieningenrechter acht het aangewezen dat het UWV beziet of in dit verband een belangenafweging dient te worden gemaakt in het kader van de evenredigheid.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het besluit van 2 september 2025 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit heeft tot gevolg dat de betaling van verzoekers Wajong-uitkering met ingang van 1 september 2025 zal worden hervat tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
9. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit van 2 september 2025 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.