ECLI:NL:RBOVE:2025:6624

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
C/08/337894 / KG ZA 25-210
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 RvArtikel 23 lid 1 Verordening (EU) 2015/262
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekvonnis wegens onduidelijkheid over bezit paardenpaspoort

Partij B was bij verstek veroordeeld tot afgifte van het paardenpaspoort van het paard, maar stelde dat zij het paspoort al had verstuurd en niet meer in bezit was. Partij A vorderde afgifte van het paspoort met dwangsom wegens vermeende onrechtmatige daad en tekortkoming. Partij B stelde dat het paspoort in mei 2025 per post was verzonden naar het adres van partij A, maar erkende een fout in het adres in eerdere correspondentie.

De voorzieningenrechter oordeelde dat voor toewijzing in kort geding vereist is dat aannemelijk is dat partij B het paspoort nog bezit, wat niet is vastgesteld. Partij A kon onvoldoende concrete omstandigheden aandragen om dit te bewijzen. De rechtbank vernietigde daarom het verstekvonnis en wees de vorderingen af.

Daarnaast werd geoordeeld dat dwangsommen niet passend zijn omdat het verkrijgen van een duplicaatpaspoort door externe instanties wordt belemmerd en dwangsommen geen praktisch nut hebben. Proceskosten werden aan partij A opgelegd wegens het ongelijk. De subsidiaire vorderingen van partij B werden afgewezen en kosten gecompenseerd.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd en de vorderingen tot afgifte van het paardenpaspoort worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat partij B het paspoort nog bezit.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/337894 / KG ZA 25-210
Vonnis in verzet in kort geding van 13 november 2025
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1]
oorspronkelijk eiser in conventie,
gedaagde in verzet,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. J. van Groningen.
tegen
[partij B],
te [woonplaats 2],
onder bewind van de besloten vennootschap [bedrijf] B.V. mw. [naam 1],
oorspronkelijk gedaagde in conventie,
eiseres in verzet,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. P.F.A. Reichenbach,

1.De zaak in het kort

1.1.
[partij B] is bij verstekvonnis in kort geding veroordeeld tot afgifte van het paardenpaspoort van het paard [naam 2]. Zij heeft tegen dit vonnis verzet ingesteld. Volgens [partij B] heeft zij het paspoort al verstuurd en kan zij het paspoort niet afgeven. In deze procedure vordert zij vernietiging van het verstekvonnis. De voorzieningenrechter zal het verstekvonnis vernietigen omdat niet kan worden vastgesteld dat [partij B] nog in bezit is van het paspoort. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van 20 juni 2025 met producties;
- het verstekvonnis van 31 juli 2025 met zaaknummer C/08/333724 / KG ZA 25-109;
- de verzetdagvaarding in conventie, aan te merken als conclusie van antwoord, van 21 oktober 2025 met producties;
- de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij [partij A] een pleitnota heeft overgelegd.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[partij A] is eigenaar van het paard [naam 2] (hierna: [naam 2]).
3.2.
Partijen hebben voor de verzorging en training van [naam 2] een afspraak gemaakt, die door [partij B] bij e-mail van 13 augustus 2021 is bevestigd:
‘Hierbij de afspraak die we hebben gemaakt omtrent de 5-jarige Power blue x california.
Op het moment dat het paard bij mij (in [plaats]) op stal staat zal de training voor mij zijn en de onkosten (stalling, smid, enting, ch, ed) voor jullie.
Grote onkosten, in geval van koliek oid worden in overleg gedeeld.
Bij verkoop zijn de eerste € 30000,00 voor jullie.
Daarboven wordt het bedrag eerlijk verdeeld (50% -50%)
Mocht de verkoop tegenvallen bijvoorbeeld bij blessure dan is het verkoopbedrag, tot de €30000,- voor jullie.
Verkoop wordt ten alle tijden overgelegd en met instemming van beide partijen.’
3.3.
[partij A] heeft op 5 juni 2024 [naam 2] bij [partij B] laten ophalen door een transportbedrijf.
3.4.
Artikel 23 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/262 bepaalt als volgt:
‘De identificatiedocumenten (…) voor geregistreerde paardachtigen of voor als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen worden afgegeven, vergezellen de paardachtigen waarvoor ze zijn afgegeven, te allen tijde (…)’
3.5.
[partij B] had het paspoort [naam 2] tot mei 2025 in haar bezit en weigerde aanvankelijk dit paspoort af te geven.
3.6.
[partij A] heeft geprobeerd bij het Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland (hierna: KWPN) een duplicaat paspoort te verkrijgen, maar deze aanvraag is bij beslissing van 18 december 2024 afgewezen. De inhoud van de beslissing luidt:
Daar het originele paardenpaspoort en stamboekpapier van bovenstaand paard nog in omloop zijn, kunnen wij u geen duplicaat paspoort verstrekken.[partij A] heeft daartegen bezwaar ingesteld bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna RVO). Dit bezwaar heeft niet tot afgifte van een duplicaat paspoort geleid.
3.7.
[partij A] heeft [partij B] op 20 juni 2025 gedagvaard in kort geding. [partij B] is bij verstekvonnis van 31 juli 2025 (hierna: het verstekvonnis) met zaaknummer C/08/333724 / KG ZA 25-109 veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het verstekvonnis het paspoort van het paard [naam 2] aan [partij A] ter hand te stellen, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00,-.
3.8.
[partij B] heeft per e-mail van 14 juli 2025 aan de advocaat van [partij A] geschreven dat zij het paspoort in week 19 heeft verstuurd naar [adres 1].
3.9.
Het adres van [partij A] is al jarenlang [adres 2]. De facturen van [partij B] werden naar dit adres verzonden.
3.10.
[partij B] heeft in juli 2025 de KWPN benaderd om een duplicaat paspoort te verkrijgen. Deze aanvraag is begin augustus 2025 afgewezen. [partij B] heeft zich vervolgens tot RVO gewend.
3.11.
RVO heeft de aanvraag afgewezen en schrijft bij e-mailbericht van 11 augustus 2025 als volgt:
‘Ik reageer met deze mail op uw telefoontjes van vorige week naar RVO.
U vraagt om de toestemming voor de afgifte van een duplicaat paspoort voor het paard [naam 2] Blue.
Bij mijn collega van juridische zaken heb ik informatie ingewonnen over deze zaak. Helaas werkt het niet zo dat u kunt vragen om toestemming voor de afgifte van een duplicaat paspoort. Op basis van de uitspraak van de rechter gaan wij er vanuit dat het originele paspoort nog in omloop is. Er mag geen duplicaat paspoort uitgegeven worden als het originele paspoort nog in omloop is en daarom zullen wij dus niet aan de KWPN doorgeven dat zij een duplicaat paspoort mogen uitgeven.’

4.Het geschil

In conventie en in reconventie
4.1.
[partij A] vordert – kort samengevat – veroordeling van [partij B], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot afgifte van het paardenpaspoort van het paard [naam 2], zulks met bepaling dat [partij B] een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag van dat [partij B] nalatig is hieraan gehoor te geven, met een maximum € 25.0000,00.
4.2.
[partij A] heeft – kort samengevat – aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat het handelen van [partij B] kwalificeert als een onrechtmatige daad. [partij A] heeft [naam 2] laten ophalen naar aanleiding van berichten van stalgenoten dat [naam 2] niet goed verzorgd en getraind werd. Door het ontbreken van het paspoort kan [partij A] niet voldoen aan de regelgeving. Zonder paspoort kan het paard onder meer niet worden verkocht. [partij A] heeft recht en belang om het paspoort zo spoedig mogelijk overgedragen te krijgen van [partij B]. Hij heeft aangevoerd dat [partij B] het paspoort nog in haar bezit heeft en dat zij dit onrechtmatig onder zich houdt.
4.3.
Bij het verstekvonnis heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [partij A] toegewezen. [partij B] is in verzet gekomen tegen het verstekvonnis en vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. vernietiging van het verstekvonnis van 31 juli 2025 (C/08/333724 / KG ZA 25-109);
II.
primair
afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen van [partij A];
subsidiair
a) vervanging van de veroordeling tot afgifte van het originele paspoort door een veroordeling van [partij B] tot het verrichten van alle redelijke en noodzakelijke inspanningen om een duplicaatpaspoort voor [naam 2] te verkrijgen via KWPN/RVO, waaronder het indienen van aanvragen, het (doen) voeren van bezwaar- of (voorlopige) voorzieningenprocedures, het overleggen van verklaringen en bewijs;
b) veroordeling van [partij A] om alle medewerking te verlenen die voor het verkrijgen van het duplicaat vereist is (waaronder het tekenen van formulieren/machtigingen, het verstrekken van gegevens, het doen van noodzakelijke meldingen en het voldoen van leges/onkosten), en om zich te onthouden van executiemaatregelen zolang dit traject aantoonbaar loopt;
c) bepaling dat geen dwangsommen zijn of worden verschuldigd zolang het duplicaat uitblijft door toedoen/beslissingen van KWPN/RVO ondanks aantoonbare inspanningen van [partij B];
III. verbod aan [partij A] om het verstekvonnis van 31 juli 2025 verder te executeren, althans schorsing van de executie daarvan totdat in dit verzet onherroepelijk is beslist;
IV. veroordeling van [partij A] in de proceskosten van zowel het verzet als het oorspronkelijk kort geding, inclusief nakosten en wettelijke rente.
4.4.
De voorzieningenrechter verstaat de subsidiaire vordering als een voorwaardelijke reconventionele vordering, in die zin dat daaraan slechts wordt toegekomen als de vordering van [partij A] (deels) toewijsbaar is.
4.5.
[partij B] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij niet (meer) beschikt over het originele paspoort waardoor afgifte feitelijk onmogelijk is. [partij B] heeft aangevoerd dat zij het paspoort in mei 2025 per post heeft verzonden naar het adres dat zij van de echtgenote van [partij A] heeft gekregen. Dit adres gebruikte zij ook voor de facturen. Aanvankelijk noemde [partij B] in haar e-mail van 14 juli 2025 dat zij het paspoort heeft verstuurd naar het adres [adres 1], maar ter zitting heeft [partij B] aangevoerd dat dit een fout is in haar e-mail en dat zij het adres [adres 2] moet hebben gebruikt. [partij B] heeft erkend dat zij zorgvuldiger had moeten handelen bij de verzending van het paspoort.
Het paspoort heeft zij niet meer in haar bezit. Zij heeft ook geen belang om het paspoort achter te houden. Vanaf juli 2025 heeft zij alles in het werk gesteld om een duplicaatpaspoort te verkrijgen.
Dwangsommen hebben in dit geval ook geen praktisch nut: ook indien dwangsommen worden geïncasseerd, ontstaat er voor [partij A] nog geen geldig paspoort. KWPN en RVO hebben immers expliciet geschreven dat zonder rechterlijke beslissing geen duplicaat kan worden verstrekt.
4.6.
[partij A] voert verweer tegen het door [partij A] gevorderde.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Tijdigheid verzet
5.1.
Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld.
Spoedeisend belang
5.2.
Het gaat hier om een verzetprocedure in kort geding. Dat betekent dat de oorspronkelijk door [partij A] ingestelde vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening moet worden beoordeeld. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of [partij A] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een (voldoende spoedeisend) belang heeft. [partij A] heeft het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt zodat de voorzieningenrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil.
5.3.
Voor een toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
5.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat [partij A] eigenaar is van [naam 2] en op basis van de wettelijke bepalingen dient te beschikken over het paspoort. Tussen partijen staat dat ook niet ter discussie. [partij A] vordert afgifte van het paspoort op straffe van dwangsom. Die vordering is toewijsbaar als in voldoende mate komt vast te staan dat [partij B] het paspoort nog steeds in haar bezit heeft. [partij B] kan immers niet tot een onmogelijke prestatie worden veroordeeld. Daarbij rust de stelplicht en bewijsrisico op [partij A].
5.5.
[partij A] stelt zich op het standpunt dat [partij B] het paspoort nog in haar bezit heeft en baseert dat op de verklaringen van [partij B] die volgens hem kennelijk leugenachtig zijn. [partij A] doelt daarbij onder andere op het adres dat [partij B] zegt te hebben gebruikt bij de verzending van het paspoort. Volgens [partij A] houdt [partij B] het paspoort onder zich om [partij A] onder druk te kunnen zetten om aan haar een vergoeding te betalen.
[partij B] heeft gemotiveerd betwist dat zij het paspoort nog in haar bezit heeft. Zij heeft dit (niet aangetekend) verzonden in een doosje. Zij weet nog dat dit in week 19 was, omdat zij kort daarvoor telefonisch met de dochter van [partij A] heeft gesproken. Zij is dat gesprek aangegaan omdat zij hoopte dat de dochter haar in contact kon brengen met [partij A]. Als zij het paspoort nog had, had zij het zeker afgegeven. Zij zit in schuldsanering (WSNP) waardoor het verbeuren van dwangsommen grote gevolgen voor haar zou kunnen hebben zoals beëindiging van de WSNP. Na het verstekvonnis, waarbij zij is veroordeeld tot afgifte van het papsoort op straffe van dwangsom, heeft zij er alles aan gedaan om een duplicaatpaspoort te verkrijgen. De dwangsom zag op een onmogelijke prestatie, aldus [partij B].
5.6.
Uit de standpunten van partijen volgt dat zij van mening verschillen over de vraag of [partij B] het paspoort nog in haar bezit heeft. Gelet op de aard van een kort geding zal moeten worden beoordeeld of [partij A] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [partij B] het paspoort nog steeds onder zich heeft. Daarbij is van belang of [partij A] voldoende concrete omstandigheden heeft gesteld en aannemelijk heeft gemaakt, waaruit dat kan worden afgeleid. Het feit dat [partij B] aanvankelijk het paspoort in haar bezit had en het verkeerde adres heeft genoemd waar zij het paspoort naar toe heeft gestuurd volstaat daartoe niet. Dat laat immers nog steeds de mogelijkheid open dat [partij B] het paspoort heeft verzonden en dat het vervolgens in ongerede is geraakt, zoals [partij B] gemotiveerd heeft gesteld. Nu [partij A] geen andere omstandigheden heeft genoemd waaruit kan worden afgeleid dat het paspoort nog bij [partij B] is, kan dit – in het kader van dit kort geding, waarbij geen plaats is voor nader feitenonderzoek en bewijslevering – dan ook niet worden vastgesteld. Dat betekent dat de vordering van [partij A] niet toewijsbaar is, dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vordering wordt afgewezen.
5.7.
Voor zover [partij A] meent dat [partij B] schadeplichtig is geworden omdat zij de overeenkomst tussen partijen niet is nagekomen en/of onrechtmatig heeft gehandeld onder meer door het paspoort geruime tijd onder zich te houden, dan wel door het pakketje niet aangetekend te verzenden, merkt de rechtbank op dat deze vraag in dit kort geding niet voorligt. De vordering tot afgifte op straffe van dwangsom is niet toewijsbaar omdat niet kan worden vastgesteld dat [partij B] het paspoort nog onder zich heeft. Voor het opleggen van een dwangsom bestaat daarom evenmin aanleiding. Een dwangsom dient een prikkel tot nakoming te zijn en niet een vergoeding voor onzorgvuldig handelen.
De proceskosten
5.8.
Omdat [partij A] in het ongelijk wordt gesteld en het verstekvonnis wordt vernietigd zal [partij A] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. Daarbij blijven de kosten van de verzetdagvaarding op grond van artikel 141 Rv Pro voor rekening van [partij B]. De proceskosten van [partij B] worden begroot op:
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten
€ 278,00(plus eventueel € 92,00 en de kosten
van betekening)
Totaal € 1.716,00
5.9.
Gelet op de vernietiging van het verstekvonnis worden de voorwaardelijk ingestelde tegenvorderingen afgewezen. De kosten daarvan worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
vernietigt het door deze rechtbank op 31 juli 2025 onder zaaknummer C/08/333724 / KG ZA 25-109 gewezen verstekvonnis,
6.2.
wijst de vorderingen van [partij A] af,
6.3.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.716,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 aan nakosten plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en dit vonnis daarna is betekend, en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in voorwaardelijk reconventie
6.4.
wijst de vorderingen van [partij B] af,
6.5.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025. (jm)