De zaak betreft een kort geding waarin de verhuurder vordert dat de huurders de achterstallige huur betalen en de woning ontruimen. De huurders hebben een forse huurachterstand van €10.210,26 opgebouwd, wat neerkomt op ruim dertien maanden huur. Eén huurder is niet verschenen, waardoor verstek is verleend, terwijl de andere partij wel aanwezig was.
De kantonrechter stelt vast dat er een huurovereenkomst bestaat en dat de huurders tekort zijn geschoten in hun betalingsverplichting. De omvang van de achterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure, en vooruitlopend daarop is ontruiming gerechtvaardigd. De belangenafweging leidt tot toewijzing van de vorderingen, ondanks het feit dat een minderjarig kind in de woning woont.
De huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, de lopende huur vanaf 1 november 2025 tot ontruiming, en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.