ECLI:NL:RBOVE:2025:6631

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
11922904 \ CV EXPL 25-3220
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:231 BWArt. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing executie ontruimingsvonnis woning na drugshandel

Eiser huurt sinds 2016 een woning van Woningstichting Rentree, met een verbod op drugsgebruik en handel in de huurvoorwaarden. Na twee politie-invallen waarbij harddrugs werden aangetroffen, is de woning door de burgemeester voor drie maanden gesloten op grond van de Opiumwet. Woningstichting Rentree ontbond daarop de huurovereenkomst en vorderde ontruiming, welke door de kantonrechter op 2 oktober 2025 werd toegewezen.

Eiser verzoekt nu in kort geding de executie van deze ontruimingsuitspraak te schorsen en de ontruiming te verbieden, stellende dat het vonnis op een feitelijke misslag berust en zijn gezondheidssituatie onvoldoende is meegewogen. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen kennelijke misslag is en dat de belangenafweging van de kantonrechter juist was. Hoewel eiser gezondheidsproblemen heeft, is geen medische noodsituatie aannemelijk gemaakt.

De voorzieningenrechter weegt het belang van Woningstichting Rentree om de woning te kunnen verhuren en een veilige leefomgeving te waarborgen zwaarder dan het belang van eiser bij het behoud van de woning. Ook de opvangmogelijkheden in Deventer en de zelfredzaamheid van eiser tijdens de sluitingsperiode worden betrokken in de afweging.

Daarom worden de vorderingen van eiser afgewezen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot schorsing van de ontruimingsuitspraak af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11922904 \ CV EXPL 25-3220
Vonnis van 11 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp,
tegen
WONINGSTICHTING RENTREE,
te Deventer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Woningstichting Rentree,
gemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel.

1.Samenvatting

1.1.
De kantonrechter heeft [eiser] bij vonnis van 2 oktober 2025 veroordeeld tot ontruiming van het door hem gebruikte woning. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter de executie van de ontruimingsveroordeling schorst en Woningstichting Rentree verbiedt de woning te ontruimen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter niet op een kennelijke misslag berust. Na belangenafweging wijst de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiser] af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van [eiser],
- de producties van Woningstichting Rentree,
- de mondelinge behandeling van 28 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 29 oktober 2025 een verkort vonnis met daarin alleen de beslissing uitgesproken. Het vonnis van heden bevat een overzicht van de feiten, een uiteenzetting van het geschil en de beoordeling die geleid heeft tot genoemde beslissing.

3.De feiten

3.1.
[eiser] huurt sinds 2016 van Woningstichting Rentree de woning aan de [adres] (hierna: de woning). In de huurvoorwaarden is bepaald dat de aanwezigheid of handel drugs in het gehuurde is verboden en dat overtreding van dit verbod een ontbinding van de huurovereenkomst op de kortst mogelijke termijn rechtvaardigt.
3.2.
Op 16 mei 2024 is de politie de woning binnengetreden en heeft in de woning een handelshoeveelheid harddrugs en een ploertendoder aangetroffen. De burgemeester van de Gemeente Deventer heeft Woningstichting Rentree en [eiser] schriftelijk gewaarschuwd dat bij een volgende overtreding van de Opiumwet handhavend wordt opgetreden. Hierop heeft Woningstichting Rentree een gesprek gehad met [eiser] en hem vervolgens een brief gestuurd met een formele waarschuwing.
3.3.
Op 16 april 2025 heeft de politie opnieuw een inval gedaan in de woning. Ook toen zijn harddrugs aangetroffen. Daarnaast lag een grote hoeveelheid contant geld in de woning. Op 10 juni 2025 heeft de burgemeester van Deventer op grond van artikel 13b van de Opiumwet een bevel tot sluiting van de woning voor drie maanden gegeven, met ingang van 19 juni 2025.
3.4.
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester en een verzoek tot voorlopige voorziening - schorsing van het besluit - ingediend bij de voorzieningenrechter van de afdeling bestuursrecht van deze rechtbank. In verband met dit verzoek heeft de burgemeester de sluiting van de woning uitgesteld tot 26 juni 2026. Bij uitspraak van 24 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van [eiser] afgewezen.
3.5.
Per brief van 2 juni 2025 heeft Woningstichting Rentree laten weten dat zij bij een sluiting van de woning door de burgemeester de huurovereenkomst met hem beëindigt. Op 8 juli 2025 heeft Woningstichting Rentree een brief naar [eiser] gestuurd waarin zij aangeeft dat zij de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt. [eiser] heeft de woning niet aan Woningstichting Rentree opgeleverd.
3.6.
Woningstichting Rentree heeft vervolgens in kort geding ontruiming van de woning gevorderd.
3.7.
In de uitspraak van de kantonrechter van 2 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter [eiser] veroordeeld om de woning binnen veertien dagen te ontruimen, met bijkomende veroordelingen. De kantonrechter acht buitengerechtelijke ontbinding van huurovereenkomst krachtens artikel 7:231 lid 2 BW Pro gerechtvaardigd door de sluiting van de woning met ingang van 26 juni 2025 op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De kantonrechter oordeelt dat het gebruikmaken van de bevoegdheid tot ontbinding door Woningstichting Rentree naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar en ook geen misbruik van recht is. Daarbij is onder andere de ernst van de gedragingen – kort gezegd: betrokkenheid bij drugshandel - van [eiser] van belang. De kantonrechter rechter weegt zwaar mee dat Woningstichting Rentree [eiser] een waarschuwing heeft gegeven, waarbij hem uitdrukkelijk is kenbaar gemaakt dat drugshandel vanuit de woning niet wordt getolereerd en dat, wanneer dit opnieuw wordt geconstateerd, de huurovereenkomst wordt beëindigd. De voorzieningenrechter erkent dat de woonbelangen van [eiser] (ook) groot zijn. Met name de medische toestand van [eiser] maakt dat hij belang heeft bij een stabiele woonsituatie. Van een medische noodsituatie is echter niet gebleken. [eiser] heeft in de periode van sluiting van de woning onder andere verbleven in Turkije en de rest van de tijd in zijn auto geslapen. Ondanks dat hij nog niet weet waar hij zal verblijven na een ontruiming, heeft hij zich de afgelopen drie maanden weten te redden. Aldus tot zover de kantonrechterrechter. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.8.
Woningstichting Rentree heeft de gedwongen ontruiming aangezegd tegen 4 november 2025.
3.9.
[eiser] heeft aangekondigd hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de kantonrechter van 2 oktober 2025.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de executie van het vonnis d.d. 2 oktober 2025 met zaaknummer 11808051 \ CV EXPL 25-2215 schorst totdat in het hoger beroep zal zijn beslist omtrent de rechtmatigheid van de vorderingen van partijen, en
  • Woningstichting Rentree verbiedt om de woning op 4 november 2025 te ontruimen op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat Woningstichting Rentree hieraan niet voldoet (met een maximum van € 50.000,00),
  • Subsidiair althans die ontruiming verbiedt tot drie maanden na die datum althans tot twee maanden na die datum, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat Woningstichting Rentree hieraan niet voldoet (met een maximum van € 50,000,00), en
  • Woningstichting Rentree veroordeelt in de kosten van deze procedure, de nakosten daarbij inbegrepen.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat het vonnis van 2 oktober 2025 berust op een feitelijke misslag. De kantonrechterrechter heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van [eiser] niet opwegen tegen de belangen van Woningstichting Rentree. De gezondheid van [eiser] is de afgelopen maanden achteruit gegaan en de voorzieningenrechter heeft dit onvoldoende laten meewegen. Ten onrechte wordt bij de belangenafweging bovendien de verwijtbaarheid van [eiser] betrokken. Daarbij komt dat – hetgeen nog niet bekend was ten tijde van het vonnis van 2 oktober 2025 – de opvanglocaties in Deventer op dit moment overvol zijn, waarbij nog komt dat het hygiënepeil daarvan onvoldoende is. Voor de nieuwe opvanglocatie aan de Hanzeweg in Deventer, waarnaar Woningstichting Rentree verwijst, geldt op dit moment een wachtlijst waardoor hij ook hier niet terecht kan, aldus [eiser].
4.3.
Woningstichting Rentree voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Woningstichting Rentree betwist dat sprake is van een feitelijke misslag. De vraag of de ontbinding onaanvaardbaar is, vergt een belangenafweging, waarbij de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat de belangen van Woningstichting Rentree zwaarder wegen. Nergens blijkt uit dat op dit moment sprake is van een medische noodsituatie waardoor ontruiming onaanvaardbaar zou zijn. [eiser] is bovendien gewaarschuwd voor maatregelen wanneer hij de handel in harddrugs zou voortzetten. Een heroverweging van de belangen dient plaats te vinden in een hoger beroepsprocedure en kan niet leiden tot schorsing van de executie. Ook is geen sprake van nieuwe feiten die aanleiding vormen om de executie van het vonnis te schorsen.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Het spoedeisend belang
5.1.
De spoedeisendheid volgt uit de aard van de vorderingen.
Geen schorsing executie / verbod ontruiming
5.2.
De vraag die thans voorligt is of de vordering tot schorsing van de executie van het vonnis, dan wel om een verbod te geven de woning te ontruimen, toewijsbaar is. Van belang is dat het vonnis van 2 oktober 2025 niet onherroepelijk is en dat de kantonrechter zijn verklaring dat zijn ontruimingsbeslissing uitvoerbaar bij voorraad is niet van een bijzondere motivering heeft voorzien. De vordering van [eiser] kan dan alleen toegewezen worden, indien zich omstandigheden voordoen die meebrengen dat het belang van de [eiser] bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem in te stellen rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. De kans van slagen van het tegen het vonnis van 2 oktober 2025 aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel moet de voorzieningenrechter buiten beschouwing laten, met dien verstande hij in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke feitelijke of juridische misslag (vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
5.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet gebleken dat het vonnis van 2 oktober 2025 op een feitelijke misslag berust. [eiser] vindt dat de kantonrechter in het licht van wat [eiser] in het bijzonder over zijn gezondheid naar voren gebracht heeft zijn belangen onjuist heeft afgewogen tegen de belangen van de wederpartij. Dat betekent echter nog niet dat de kantonrechter die belangenafweging heeft gemaakt aan de hand van onjuiste feiten. Het voorgaande staat er niet aan in de weg dat de kantonrechter thans wederom een belangenafweging zal maken en wel van de belangen die [eiser] heeft bij het vooralsnog voortzetten van zijn verblijf op het adres [adres] te Deventer enerzijds en anderzijds de belangen die Woningstichting Rentree heeft bij de ontruiming.
5.4.
Het belang dat Woningstichting Rentree heeft bij de ontruiming is gelegen in het volgende. Zij heeft de huurovereenkomst met [eiser] ontbonden zodat deze laatste thans zonder recht in de woning verblijft. Woningstichting Rentree heeft er thans belang bij dat zij weer de beschikking krijgt over de woning om deze te kunnen verhuren een woningzoekende. Woningstichting Rentree heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld al een gegadigde voor de woning geselecteerd te hebben. Bijkomend belang dat Woningstichting Rentree heeft bij de ontruiming hangt samen met de omstandigheid dat de reden voor de ontbinding van de huurovereenkomst de betrokkenheid van [eiser] bij drugshandel is. Woningstichting Rentree wenst uit een oogpunt van bescherming van een veilige leefomgeving dat een einde komt aan handel in en aanwezigheid van drugs in één van haar woningen. De voorzieningenrechter verwijst naar wat de kantonrechter in zijn vonnis van 2 oktober 2025 onder 4.9 overwogen heeft.
5.5.
De vraag of het belang dat [eiser] heeft bovengenoemde belang van Woningstichting Rentree opzijzet beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. Hij overweegt daartoe het volgende. [eiser] heeft er belang bij een dak boven zijn hoofd te hebben en hij heeft er terecht op gewezen dat het op dit ogenblik moeilijk is om andere betaalbare woonruimte te vinden ingeval van een gedwongen ontruiming. Dat betekent niet dat [eiser] in het geheel geen onderdak zou kunnen vinden. Voor zover hij al een beroep op opvang in Deventer zou moeten doen geldt dat niet vaststaat dat een plaats aldaar uitgesloten is. [eiser] voert aan dat Deventer te weinig opvangplaatsen heeft. Woningstichting Rentree heeft daar – onderbouwd – tegenin gebracht dat Deventer een extra opvanglocatie krijgt zodat voldoende capaciteit bestaat om daklozen op te vangen. [eiser] heeft zijn stelling dat die uitbreiding geen soelaas biedt gezien het bestaan van een wachtlijst voor die opvang niet voldoende kunnen onderbouwen. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat [eiser], zoals de kantonrechter in zijn vonnis overwogen heeft, zich tijdens de sluiting van de woning heeft kunnen redden, zij het dat hij naar eigen zeggen ook in zijn auto geslapen heeft. [eiser] meent voorts dat zijn gezondheidstoestand eraan in de weg staat dat hij de woning moet verlaten. Hij lijdt al jaren aan lymfeklierkanker en heeft en verhoogd risico op het krijgen van infecties en, zo begrijpt de voorzieningenrechter, van een ernstiger verloop van een infectie, als hij die oploopt. [eiser] heeft echter onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat zijn gezondheidstoestand van dien aard is dat gesproken moet worden van een noodsituatie, die aan ontruiming in de weg staat. De voorzieningenrechter verwijst naar wat de kantonrechter op dat punt overwogen heeft onder 4.10 zijn vonnis van 2 oktober 2025. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat hij onlangs nog in het ziekenhuis en bij de huisarts is geweest, doch desgevraagd heeft hij geantwoord dat dit voor controle onderscheidenlijk voor het voorschrijven van medicijnen was. In elk geval heeft hij niet aannemelijk kunnen maken dat thans wel van een noodsituatie sprake is, die in de weg aan de ontruiming zou staan. [eiser] heeft ook nog naar voren gebracht dat het peil van de hygiëne in de opvang zo slecht is dat zijn gezondheidstoestand het niet toelaat dat hij een beroep op de opvang doet. Het door hem genoemde peil van de hygiëne in de opvang heeft [eiser] echter onvoldoende kunnen onderbouwen, nog los van de vraag welk gevaar dat daaruit voor zijn gezondheid zou kunnen voortkomen.
5.6.
Al het voorgaande overziend, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het belang van Woonstichting Rentree bij tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis zwaarder weegt dan aan het belang van [eiser] bij het kunnen afwachten van de uitkomsten van het hoger beroep. De vorderingen van [eiser] zullen dan ook worden afgewezen.
De proceskosten
5.7.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Woningstichting Rentree worden begroot op:
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
949,00

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.