ECLI:NL:RBOVE:2025:6632

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
11341856 \ CV EXPL 24-3635
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 sub a BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen terugbetaling provisie deurwaarderskantoor op grond van algemene voorwaarden

Landheer, een deurwaarderskantoor, bracht op basis van haar algemene voorwaarden een provisie in rekening bij eiser 1, eiser 2 en hun advocaat Van Gastel. Deze laatste betwistten de ontvangst van de algemene voorwaarden en vorderden terugbetaling van de provisie.

In een tussenvonnis werd vastgesteld dat alleen Van Gastel opdrachtgever was van Landheer en werd Landheer opgedragen bewijs te leveren dat Van Gastel de algemene voorwaarden per e-mail had ontvangen. Landheer overhandigde logbestanden en deskundigenverklaringen die bevestigden dat de e-mails met de algemene voorwaarden op de e-mailserver van Van Gastel waren aangekomen.

De kantonrechter oordeelde dat Landheer aan haar bewijsopdracht had voldaan. Tevens werd geoordeeld dat het provisiebeding niet onredelijk bezwarend is en het in rekening brengen van provisie niet onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De verzoeken van eiser 1, eiser 2 en Van Gastel werden afgewezen. Ook werd het verzoek van Van Gastel om terug te komen op het eerdere oordeel dat alleen hij opdrachtgever was, afgewezen.

De kantonrechter veroordeelde eiser 1, eiser 2 en Van Gastel in de proceskosten van Landheer.

Uitkomst: De vorderingen tot terugbetaling van provisie worden afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11341856 \ CV EXPL 24-3635
Vonnis van 11 november 2025
in de zaak van

1.de besloten vennootschap [eiser 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats],
3. de besloten vennootschap
ADVOCATENKANTOOR VAN GASTEL B.V.,
gevestigd te Amstelveen,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1], [eiser 2] en Van Gastel,
gemachtigde: mr. L.J. van Gastel
tegen
de besloten vennootschap
LANDHEER B.V.,
gevestigd te Hardenberg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Landheer,
gemachtigde: mr. P.J. Contermans.

1.Samenvatting

1.1.
Landheer, een deurwaarderskantoor, heeft – kort gezegd – op basis van haar algemene voorwaarden een provisie bij [eiser 1], [eiser 2] en hun advocaat Van Gastel in rekening gebracht. [eiser 1], [eiser 2] en Van Gastel hebben betwist dat zij de algemene voorwaarden van Landheer hebben ontvangen. Zij wensen terugbetaling van de betaalde provisie.
1.2.
In het tussenvonnis van 25 maart 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat alleen Van Gastel de opdrachtgever is geweest van Landheer. Verder heeft de kantonrechter Landheer opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat Van Gastel door Landheer verstuurde e-mails van 11 oktober 2023, met daarin haar algemene voorwaarden, heeft ontvangen. Daarnaast heeft de kantonrechter partijen in gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de door Landheer in rekening gebrachte provisie een redelijk loon is.
1.3.
Landheer heeft bij akte nadere stukken ingediend ter onderbouwing van haar standpunt dat Van Gastel de e-mails van 11 oktober 2023 heeft ontvangen. Op basis daarvan komt de kantonrechter tot het oordeel dat Landheer in haar bewijsopdracht is geslaagd. De kantonrechter oordeelt voorts dat het provisiebeding niet onredelijk bezwarend is en acht het in rekening brengen van de provisie evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser 1], [eiser 2] en Van Gastel af. Van Gastel heeft de kantonrechter ook nog gevraagd om terug te komen op zijn eerder genomen beslissing dat alleen Van Gastel de opdrachtgever van Landheer was. De kantonrechter komt tot het oordeel dat daar geen aanleiding voor bestaat.

2.Het verdere verloop van de procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 maart 2025,
- de akte bewijslevering van Landheer,
- de akte uitlating, tevens overlegging producties van [eiser 1], [eiser 2] en Van Gastel,
- de antwoordakte van [eiser 1], [eiser 2] en Van Gastel,
- de antwoordakte van Landheer,
- de akte van [eiser 1], [eiser 2] en Van Gastel,
- de antwoordakte van Landheer,
- het bericht van de rechtbank, waarin staat dat de kantonrechter de zaak niet verder zal behandelen,
- het verzoek van [eiser 1], [eiser 2] en Van Gastel om een nieuwe mondelinge behandeling te houden,
- de akte uitlating rechterswissel van Landheer
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, waarvan aantekeningen zijn gemaakt door de griffier,
- spreekaantekeningen van beide partijen.
2.2.
Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter aan partijen meegedeeld dat op 11 november 2025 uitspraak zal worden gedaan.

3.De verdere beoordeling

3.1.
Beoordeeld moet worden of Landheer is geslaagd in de aan haar gegeven bewijsopdracht. Daarnaast moet de kantonrechter beoordelen of aanleiding bestaat om terug te komen op een in het tussenvonnis van 25 maart 2025 gegeven bindende eindbeslissing. Dat verzoek zal de kantonrechter hierna als eerste beoordelen.
Verzoek terugkomen op bindende eindbeslissing
3.2.
In het tussenvonnis van 25 maart 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat (alleen) Van Gastel de opdrachtgever van Landheer is geweest, en dat om die reden de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] jegens Landheer zullen worden afgewezen. De kantonrechter begrijpt de stellingen van Van Gastel zo dat zij de kantonrechter vraagt om terug te komen op deze bindende eindbeslissing.
3.3.
Van Gastel heeft daartoe het volgende aangevoerd. De executie is gestart op 29 september 2023, met de betekening door Landheer van het vonnis van 27 september 2023. De opdracht daartoe is gegeven door [eiser 2] aan Landheer. Van Gastel had op dat moment ook zelf een deurwaarder de opdracht gegeven het vonnis van 27 september 2023 te betekenen, zo blijkt uit de door Van Gastel bij antwoordakte overgelegde e-mailcorrespondentie met de betreffende deurwaarder. Omdat Landheer de betekening eerder kon uitvoeren heeft Van Gastel die opdracht vervolgens ingetrokken. Daarna is de executie van het vonnis van 29 september 2023 volgens Van Gastel
on holdkomen te staan, ook omdat door de debiteur, [naam], een executiegeschil werd gestart. Van Gastel heeft Landheer vervolgens op 3 oktober 2023 een losse opdracht gegeven om een appeldagvaarding met het vonnis van 29 september 2023 te betekenen. Dit is volgens Van Gastel geen opdracht tot executie aan Landheer geweest. Tot een executieveilig is het niet gekomen, [naam] heeft enkele maanden later vrijwillig aan het vonnis van 27 september 2023 voldaan. Het tussenvonnis van 25 maart 2025 bevat wat betreft de vraag wie de opdrachtgever was van Landheer met betrekking tot de executie van het vonnis van 27 september 2023 dan ook op een misslag, aldus Van Gastel.
3.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. In beginsel komt de rechter niet terug op bindende eindbeslissingen in een tussenvonnis. Als echter blijkt dat een eerder door de rechter gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, brengen de eisen van een goede procesorde mee dat de rechter, met inachtneming van hoor en wederhoor, terug kan komen op die bindende eindbeslissing om te voorkomen dat er op ondeugdelijke grondslag einduitspraak wordt gedaan. [1]
3.5.
In dit geval ziet de kantonrechter geen aanleiding om terug te komen op de eerder gegeven bindende eindbeslissing ten aanzien van het opdrachtgeverschap. Dit licht de kantonrechter als volgt toe. Op 10 oktober 2023 heeft Van Gastel aan Landheer de opdracht gegeven om de onder [naam] (en zijn vennootschappen) gelegde conservatoire beslagen uit te winnen, en heeft Van Gastel in dat kader de processen-verbaal van die beslagen naar Landheer gestuurd. Dit omdat de debiteur, [naam], niet voldeed aan de veroordeling in het vonnis van 27 september 2023. Deze gang van zaken laat naar het oordeel van de kantonrechter geen andere conclusie toe dan dat Van Gastel aan Landheer de opdracht heeft gegeven om tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 27 september 2023 over te gaan. De e-mail van Van Gastel aan een andere deurwaarder maakt dit oordeel niet anders. Daargelaten dat Van Gastel deze e-mail al eerder in geding had kunnen brengen zag dat contact enkel op de opdracht tot betekening van het vonnis van 27 september 2023. Dat het eerste contact met Landheer door [eiser 2] is gelegd heeft de kantonrechter meegenomen in zijn oordeel ten aanzien van de vraag wie de opdrachtgever van Landheer is geweest, zo blijkt uit rechtsoverweging 5.2. van het tussenvonnis van 25 maart 2025. Daarin heeft de kantonrechter overwogen dat dit enkel de opdracht tot betekening van het vonnis van 27 september 2023 betrof, en dat Landheer die ‘losse opdracht’ na voltooiing daarvan heeft gesloten.
3.6.
Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter geen aanleiding om op dit punt terug te komen op de bindende eindbeslissing. Dat betekent dat de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] jegens Landheer wordt afgewezen, omdat [eiser 1] en [eiser 2] geen contractuele relatie hadden met Landheer en die laatste hun ook geen provisie in rekening heeft gebracht.
De bewijsopdracht aan Landheer
3.7.
Landheer heeft de logbestanden van de e-mails van 11 oktober 2023 overgelegd (productie 46). Volgens Landheer blijkt uit deze logbestanden onomstotelijk dat de betreffende e-mails door Van Gastel zijn ontvangen op haar e-mailserver. Ter duiding van de logbestanden heeft Landheer verklaringen van drie ICT-deskundigen overgelegd (producties 47, 49 en 50). Uit de verklaringen komt kort gezegd naar voren dat uit de logbestanden blijkt dat de e-mails zijn afgeleverd op de e-mailserver van Van Gastel Landheer heeft verder verwezen naar rechtspraak waarin – kort samengevat – is geoordeeld dat een e-mail geacht moet worden de ontvanger te hebben bereikt, wanneer is aangetoond dat de e-mail is afgeleverd bij de e-mailserver van de ontvangende partij.
3.8.
Van Gastel heeft in haar antwoordakte naar aanleiding van de bewijslevering door Landheer het volgende naar voren gebracht. Omdat Landheer geen onderzoek naar de e-mailserver van Van Gastel heeft (kunnen) doen, is Landheer volgens Van Gastel niet geslaagd in haar bewijsopdracht. Over de door Landheer overgelegde logbestanden en verklaringen daarover heeft Van Gastel het volgende opgemerkt. Volgens Van Gastel hebben de door Landheer gevraagde deskundigen hun conclusies enkel en alleen op basis van een schermafbeelding van een pdfbestand gebaseerd. Die afbeelding kan niet dienen als bewijs van verzending en ontvangst van een e-mail, aldus Van Gastel. Daarnaast heeft Van Gastel de deskundigheid en onafhankelijkheid van die deskundigen in twijfel getrokken. De logbestanden vormen volgens Van Gastel in ieder geval geen bewijs voor verzending en ontvangst van de e-mails mét bijgevoegde algemene voorwaarden. Dit blijkt uit het feit dat er “
N/A” achter “
Attachments” staat. Van Gastel heeft een eigen deskundige naar de logbestanden laten kijken, Spindle Forensics (hierna: Spindle), een bedrijf dat zich richt op digitaal forensisch onderzoek. Spindle heeft kort gezegd geconcludeerd dat op basis van een schermafbeelding niet de herkomst, volledigheid en technische authenticiteit van de logbestanden kunnen worden vastgesteld.
3.9.
Bij (nadere) antwoordakte heeft Landheer de stellingen van Van Gastel gemotiveerd betwist. Landheer heeft in aanvulling daarop nog een verklaring in het geding gebracht van een van de hiervoor onder genoemde drie deskundigen (productie 54). In de aanvullende verklaring staat dat de bij testberichten vastgestelde omvang van de e-mails erop duidt dat een bijlage met de grootte van de algemene voorwaarden van Landheer bij de e-mails gevoegd was. Landheer heeft ook een video overgelegd waarin te zien is dat de logbestanden van de e-mails als pdfbestand worden geëxporteerd.
3.10.
De kantonrechter is van oordeel dat Landheer haar stelling aangaande de ontvangst van de e-mails van 11 oktober 2023 voldoende heeft onderbouwd en dat zij is geslaagd in haar bewijsopdracht. Voor dit oordeel is van belang dat Landheer zeer uitgebreid heeft onderbouwd dat de e-mails van 11 oktober 2023 zijn aangekomen op de e-mailserver van Van Gastel, door middel van logbestanden van die e-mails en verschillende verklaringen van deskundigen over die logbestanden. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de (verklaringen van de) deskundigen te twijfelen, zoals door Van Gastel is betoogd. Wat betreft de “
N/A” achter “
Attachments” in de logbestanden heeft Landheer onweersproken gesteld dat dit komt omdat bijlagen bij e-mails niet in de digitale omgeving worden opgeslagen, omdat die digitale omgeving anders qua bestandsomvang te groot wordt, maar dat dit niet betekent dat de betreffende e-mails geen bijlagen bevatten. Daar komt bij dat Landheer met overlegging van de video van de logbestanden nader heeft onderbouwd dat de betreffende e-mails wel degelijk bijlagen hadden. Het verweer van Van Gastel ziet met name op de authenticiteit van de logbestanden, maar Van Gastel heeft over dit punt op de zitting verklaard dat Landheer het verweer ten aanzien van de authenticiteit van die bestanden, door overlegging van de video, voldoende heeft weersproken. In dat licht bezien doet de verklaring van Spindle onvoldoende afbreuk aan de onderbouwing van Landheer, nu die verklaring met name de authenticiteit van de logbestanden in twijfel trekt. Daar komt bij dat bepaalde door Spindle genoemde redenen waarom de e-mails mogelijk niet door Van Gastel zijn ontvangen de kantonrechter vrij generiek doen voorkomen, bijvoorbeeld de reden “
Andere technische of gebruikersspecifieke omstandigheden”. Zonder nadere toelichting is dat, gezien de uitgebreide onderbouwing van Landheer, onvoldoende om de onderbouwing van Landheer in twijfel te kunnen trekken. Dat netwerkproblemen de ontvangst van de e-mails zouden kunnen hebben verhinderd, zoals ook door Spindle is genoemd, is zonder verdere toelichting eveneens onvoldoende. Alle drie door Landheer gevraagde deskundigen hebben namelijk verklaard dat op basis van de logbestanden kan worden vastgesteld dat de e-mails op de server van Van Gastel zijn bezorgd. Spindle heeft verder nog genoemd dat de e-mails mogelijk in de spamfilter van Van Gastel terecht zijn gekomen. De kantonrechter is van oordeel dat dit, hoewel onaannemelijk omdat kennelijk geen van de (vele) andere e-mailberichten afkomstig van Landheer daarin terecht zijn gekomen, voor risico van Van Gastel moet komen. Partijen communiceerden namelijk telkens via e-mail, zodat het de verantwoordelijkheid van Van Gastel was om zijn spamfilter te controleren op berichten die daar ten onrechte in terecht zijn gekomen.
Tussenconclusie
3.11.
Gelet op het voorgaande heeft Landheer voldoende onderbouwd dat de e-mails van 11 oktober 2023, met daarin haar algemene voorwaarden, door Van Gastel zijn ontvangen. Dat betekent dat Landheer is geslaagd in haar bewijsopdracht. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 25 maart 2025 geoordeeld dat in dat geval de vordering van Van Gastel zal worden afgewezen.
3.12.
Van Gastel heeft terecht opgemerkt dat de kantonrechter in het tussenvonnis eraan voorbij is gegaan dat Van Gastel heeft aangevoerd dat, in het geval de kantonrechter tot het oordeel komt dat de algemene voorwaarden van Landheer op de opdracht van toepassing zijn, de provisieregeling in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is, dan wel dat het toepassen daarvan en het in rekening brengen van provisie door Landheer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze stellingen van Van Gastel zal de kantonrechter hierna alsnog beoordelen.
De provisie is niet onredelijk bezwarend
3.13.
De kantonrechter stelt voorop dat artikel 6:233 sub a BW Pro bepaalt dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.
3.14.
Van Gastel vindt dat zij te laat door Landheer geïnformeerd is over het in rekening brengen van provisie. Volgens Van Gastel had Landheer dat eerder moeten doen, en wel toen Landheer gevraagd naar de kosten alleen maar opgave deed van executiekosten. De kantonrechter verwijst naar rechtsoverweging 5.13. van het tussenvonnis van 25 maart 2025. Daarin heeft de kantonrechter onder meer geoordeeld dat Van Gastel een professionele partij is die over het algemeen vaak zaken doet met een deurwaarder, en het hanteren van een provisie door een deurwaarder niet ongebruikelijk is. Ook heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat Landheer, door niet in een eerder stadium melding te maken van de verschuldigdheid van de provisie, niet zijn rechten ten aanzien daarvan heeft verwerkt. Verder is de kantonrechter van oordeel dat het enkele feit dat de provisie naast gewerkte uren en ambtshandeling in rekening is gebracht niet maakt dat er sprake is van een onredelijk bezwarend beding. Dat geldt ook voor het feit dat de provisie een percentage van de door Landheer van de titel ontvangen bedragen betreft. Daar komt bij dat Landheer de provisie heeft verlaagd naar 6%, in plaats van de 10% zoals is overeengekomen.
De toepassing van de provisieregeling is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
3.15.
De kantonrechter stelt voorop dat de rechter, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, bij de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid terughoudendheid moet betrachten; doorslaggevend is niet of sprake is met strijd met de redelijkheid en billijkheid, maar of, zoals artikel 6:248 lid 2 BW Pro niet voor niets uitdrukkelijk bepaalt, sprake is van een situatie waarin een tussen partijen geldende regel in de gegeven omstandigheden “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaarzou zijn”. Die terughoudendheid zal zeker in acht moeten worden genomen bij professioneel handelende partijen, zoals hier. [2]
3.16.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Van Gastel onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan kan worden aangenomen dat het in rekening brengen van de overeengekomen provisie, in de gegeven omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dit verband heeft Van Gastel namelijk ook aangevoerd dat gezien de houding en handelswijze van Landheer, en de mededelingen aan Van Gastel dan welaan [eiser 2] omtrent de te verwachten kosten, na navraag daarover door Van Gastel dan wel [eiser 2], onverkorte handhaving van de provisie in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Deze stelling heeft de kantonrechter al in het tussenvonnis van 25 maart 2025 besproken, zoals hiervoor is overwogen.
3.17.
Verder heeft Van Gastel aangevoerd dat, gezien de daadwerkelijke rol en werkzaamheden van Landheer de provisie op grond van de redelijkheid en billijkheid beperkt zou moeten worden. Wat deze stelling betreft verwijst de kantonrechter naar hetgeen hiervoor is overwogen. Het enkele feit dat de provisie naast gewerkte uren en ambtshandeling in rekening is gebracht maakt niet dat deze in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zeker gezien de terughoudende toepassing die de rechter bij toepassing daarvan in acht moet houden. Voor een beperking van de provisie, op grond van de redelijkheid en billijkheid, ziet de kantonrechter gelet op het voorgaande evenmin aanleiding.
Conclusie
3.18.
De conclusie is dat ook de vordering van Van Gastel wordt afgewezen, om reden dat Landheer de provisie op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden in rekening mocht brengen. Aan de beoordeling van de vraag of de door Landheer in rekening gebrachte provisie als een redelijk loon is aan te merken, komt de kantonrechter niet toe.
De proceskosten
3.19.
[eiser 1], [eiser 2] en Van Gastel zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Landheer worden begroot op:
- salaris gemachtigde
2.403,00
(4,5 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.538,00

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser 1], [eiser 2] en Van Gastel af,
4.2.
veroordeelt [eiser 1], [eiser 2] en Van Gastel in de proceskosten van Landheer tot op heden begroot op een bedrag van € 2.538,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser 1], [eiser 2] en Van Gastel niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025. (wv)

Voetnoten

1.Zie de arresten van de Hoge Raad van 4 september 2015, met nummer ECLI:NL:HR:2015:2461 en van 25 april 2008, met nummer ECLI:NL:HR:2008:BC2800.
2.Zie ter vergelijking de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2004, met nummer ECLI: