Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2025:6657

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
08.996251.17 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 74 SrArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens overschrijding redelijke termijn en transactieovereenkomst

De rechtbank Overijssel behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van witwassen, valsheid in bedrijfs- en loonadministratie, en belastingfraude. Na meerdere zittingen en een wijziging van de tenlastelegging werd vastgesteld dat verdachte met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst had gesloten en dat een transactieovereenkomst met het Openbaar Ministerie was aangegaan.

De rechtbank constateerde een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, met name tussen de aanvang van de procedure in januari 2018 en de zitting in november 2025. Daarnaast waren er procedurele omissies en werd vastgesteld dat verdachte de voorwaarden van de transactieovereenkomst was nagekomen, waardoor het fiscale nadeel ongedaan was gemaakt.

Gezien deze omstandigheden, het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging en het vertrouwen dat door het OM was gewekt, oordeelde de rechtbank dat het strafvorderlijk belang bij voortzetting van de vervolging was komen te vervallen. Daarom werd het OM niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn en het sluiten van een transactieovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.996251.17 (P)
Datum vonnis: 17 november 2025
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1975 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 15 januari 2018, 29 maart 2018 en van 3 november 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. J.H. Peek, advocaat in Utrecht, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 3 november 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:zich, samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan witwassen;
feit 2:samen met een ander of anderen opdracht heeft gegeven tot of feitelijke leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken van of vervalsen van bedrijfsadministratie en/of loonadministratie;
feit 3:samen met een ander of anderen opdracht heeft gegeven tot of feitelijke leiding heeft gegeven aan het plegen van belastingfraude.
Gezien de aard van dit vonnis en de hierna te vermelden standpunten van de verdediging en de officier van justitie kan worden volstaan met voormelde korte omschrijving van het ten laste gelegde
.

3.De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.
3.1
De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging
3.1.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat hij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daartoe heeft hij erop gewezen dat sinds de inverzekeringstelling van de verdachte acht jaren zijn verstreken. Inmiddels is met de verdachte een transactieovereenkomst gesloten, waardoor het belang bij de vervolging is komen te vervallen. Mede gezien het uitzonderlijk lange tijdsverloop stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat hij niet langer ontvankelijk is in de vervolging.
3.1.2
Het standpunt van de verdediging.
Ook de raadsman heeft verzocht om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. De tenlastegelegde feiten betreffen zeer oude feiten. De verdachte heeft met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten en is de daarin gestelde voorwaarden nagekomen. Als gevolg daarvan is het berekende fiscale nadeel ongedaan gemaakt. Ook is een transactieovereenkomst met op een later moment een addendum daarbij gesloten tussen het openbaar ministerie en de verdachte waarin als voorwaarden zijn gesteld dat de verdachte een geldsom zal voldoen en onbetaalde arbeid zal verrichten.
3.1.3
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten en dat de daarin overeengekomen afspraken zijn uitgevoerd. Verder stelt de rechtbank vast dat de officier van justitie in deze zaak een transactievoorstel aan verdachte heeft gedaan nadat deze zaak reeds ter zitting bij de rechtbank was aangebracht. De verdachte heeft het transactievoorstel, en een addendum daarbij, geaccepteerd en heeft er bij het Openbaar Ministerie op aangedrongen om de transactieovereenkomst uit te voeren en het ertoe te leiden dat de betaling van de geldsom en het uitvoeren van de onbetaalde arbeid spoedig kan plaatsvinden.
De rechtbank heeft zich er van overtuigd dat verdachte, door in overleg met zijn raadsman mee te werken aan die transactieovereenkomst met addendum en tezamen met de officier van justitie om diens niet-ontvankelijkverklaring te verzoeken, weloverwogen van een rechterlijke toetsing van zijn zaak door beantwoording door de rechter van de overige vragen van artikel 348 en Pro met name artikel 350 Sv Pro wenst af te zien.
Verder heeft de rechtbank het volgende vastgesteld.
De tenlastegelegde feiten betreffen 6-jaarsfeiten, waarvoor (weliswaar vóór de aanvang van de terechtzitting) daadwerkelijk ingevolge artikel 74 Sr Pro een transactievoorstel kan worden gedaan.
Er zijn geen andere procesafspraken gemaakt dan de afspraken die zijn neergelegd in de hiervoor bedoelde transactieovereenkomst en het addendum daarbij.
De officier van justitie heeft verdachte toegezegd de vervolging te zullen staken.
De officier van justitie en de verdediging verschillen voor het overige van mening over de redenen die moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging.
Ook bestaat tussen hen geen overeenstemming over de bewijsbaarheid en de strafbaarheid van de ten laste gelegde feiten, de strafbaarheid van verdachte (de schuldvraag) en (een bandbreedte voor) een eventueel op te leggen straf en/of maatregel.
Het centrale delict betreft een belastingdelict en daarmee samenhangende valsheid in geschrift. Het uiteindelijk berekende fiscale nadeel is geheel ongedaan gemaakt, doordat de verdachte de aan hem opgelegde naheffings- en navorderingsaanslagen volledig heeft voldaan.
De kans op herhaling is klein, nu de betrokken vennootschappen inmiddels zijn opgeheven, overgedragen dan wel hun ondernemingsactiviteiten aanzienlijk zijn gewijzigd.
Er is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, in het bijzonder door de termijn die is verstreken vanaf het begin van het onderzoek ter terechtzitting op 15 januari 2018 tot heden.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het verloop van het strafproces. Op 15 januari 2018 is de behandeling van de zaak tegen de verdachte op een openbare terechtzitting aangevangen. Op de terechtzitting van 29 maart 2018 is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst. Na die datum zijn op 11 april 2018, 30 mei 2018, 5 juli 2018, 20 maart 2019 en 3 juli 2024 door een meervoudige raadkamer beslissingen genomen over de voorlopige hechtenis van verdachte. Ook zijn, na de terechtzitting op 15 januari 2018, onder leiding van de rechter-commissaris onderzoekshandelingen verricht, zonder dat een meervoudige kamer daarbij betrokken is geweest of daarover regie heeft gevoerd.
De rechtbank overweegt dat, volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad, overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen.
Naar het oordeel van de rechtbank is echter, naast de forse overschrijding van de redelijke termijn, sprake van diverse (in de vorige alinea geschetste) omissies in de strafprocedure nadat de openbare terechtzitting op 15 januari 2018 was aangevangen, .
Al deze omstandigheden tezamen brengen naar het oordeel van de rechtbank, gelet op in het bijzonder het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging, in deze zaak mee dat enig te respecteren strafvorderlijk belang bij voortzetting van de vervolging is komen te ontvallen en wel zodanig dat zij, zoals ook door de officier van justitie en de verdediging is betoogd, de officier van justitie in de vervolging van verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren. Dit oordeel wordt versterkt door het feit dat de officier van justitie door het (weliswaar ingevolge artikel 74 Sr Pro te laat) aangaan van voormelde transactie-overeenkomst bij verdachte het vertrouwen heeft gewekt dat hij niet verder zal worden vervolgd.

4.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Manuel, voorzitter, mr. R.P. van Campen en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025.