4.1.[partij A] vordert, na toegestane wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. verklaart voor recht dat sprake is van een erfdienstbaarheid ontstaan door verjaring ten gunste van het perceel van [partij A], ten laste van het perceel van [partij B];
ii. [partij B] veroordeelt mee te werken aan dc notariële inschrijving van de erfdienstbaarheid in dc openbare registers binnen 14 dagen na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag vaar iedere dag of dagdeel dat [partij B] nalaat mcc te werken aan de notariële inschrijving, met een maximum van € 50.000,00;
iii. indien [partij B] niet vrijwillig wil meewerken aan het onder ii gevorderde (subsidiair dan wel voorwaardelijk) bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [partij B] aan de notariële inschrijving van de erfdienstbaarheid;
subsidiair
iv. verklaart voor recht dat het Pad een buurweg is waartoe [partij A] gerechtigd is, op grond waarvan het [partij B] niet is toegestaan de toegang tot het Pad voor [partij A] te weigeren c.q. ontzeggen;
v. [partij B] veroordeelt mee te werken aan de notariële inschrijving van het recht van buurweg in de openbare registers in de vorm van een erfdienstbaarheid, binnen 14 dagen na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag of dagdeel dat [partij B] nalaat mee te werken aan de notariële inschrijving, met een maximum van € 50.000.00;
vi. indien [partij B] niet vrijwillig wil meewerken aan het v gevorderde, (subsidiair dan wel voorwaardelijk) bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [partij B] aan de notariële inschrijving van de erfdienstbaarheid:
meer subsidiair
vii. verklaart voor recht dat het pad moet worden aangewezen als noodweg, op grond waarvan [partij B] niet gerechtigd is de toegang daarvan te weigeren. te belemmeren of te ontzeggen;
nog meer subsidiair
viii. verklaart voor recht dat ter zake van het Pad sprake is van een niet-opgezegde bruikleenovereenkomst:
ix. [partij B] veroordeelt om een bij eventuele opzegging van de bruikleenovereenkomst [partij A] een schadeloosstelling c.q. schadevergoeding te betalen die de kosten voor een te realiseren nieuw inrit dekken, nader op te maken bij staat,
in alle gevallen
x. [partij B] verbiedt de toegang tot het Pad te belemmeren door het afsluiten van het Pad dan wel andere wijze de toegang tot het Pad te belemmeren en bij overtreding van dat verbod [partij B] veroordeelt tot een direct opeisbare dwangsom van € 500,00 voor iedere dag af dagdeel dat [partij B] het verbod overtreedt met een van € 50.000,00, dan wel zodanig ander bedrag dat uw rechtbank in justitie te bepalen passend acht;
xi. [partij B] verbiedt de toegang tot het Pad te belemmeren door het afsluiten van het Pad dan wel op andere wijze. zolang [partij A] geen alternatieve uitrit heeft gerealiseerd voor de duur van maximaal vier jaar althans een door rechtbank in goede justitie te bepalen termijn. Bij overtreding van dat verbod vordert [partij A] om [partij B] te veroordelen tot een direct opeisbare dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat [partij B] het verbod overtreedt met een maximum van € 50.000,00 dan wel zodanig ander bedrag dat de rechtbank in goede justitie te bepalen passend acht;
xii. [partij B] veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de advocaatkosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en — voor het geval voldoening van deze kasten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt — te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf bedoelde termijn van voldoening, en de nakosten.