Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
[eiser],
Rechtbank Overijssel
In deze civiele zaak tussen een Nederlandse BV en een Australische rechtspersoon staat een geschil over de uitvoering van twee koopovereenkomsten centraal. De buitenlandse partij had bij verstek gewonnen, waarna de Nederlandse partij verzet instelde en incidentele vorderingen indiende, waaronder schorsing van de tenuitvoerlegging en zekerheidstelling voor proceskosten.
De rechtbank overweegt dat de schorsingsvordering onvoldoende belang heeft omdat geen concrete dreiging of uitvoering van tenuitvoerlegging plaatsvindt. De vordering tot verbod op executiemaatregelen wordt daarom ook afgewezen. De vordering tot zekerheidstelling op grond van artikel 224 Rv Pro wordt toegewezen omdat de buitenlandse partij de procedure bij de Nederlandse rechter is gestart en geen uitzonderingen van toepassing zijn.
De rechtbank bepaalt de zekerheid op € 10.897,00, gebaseerd op griffierecht, advocaatkosten en nakosten. Een vordering om niet-ontvankelijkheid bij niet-stellen van zekerheid wordt afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag en onvoldoende onderbouwing. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd. De zaak wordt op 3 december 2025 voortgezet.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot zekerheidstelling toe en wijst de vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging af.