In deze civiele zaak heeft [partij A] een vordering ingesteld tegen [partij B], een buitenlandse rechtspersoon uit Estland, via de Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV-Verordening). De vordering betreft een bedrag van €3.500 gerelateerd aan de niet-conforme levering en beheer van een mining machine.
[Partij B] erkent het verlies van de machine en voert aan dat het hostingbedrijf in Dubai verdwenen is, waardoor de locatie van de machines onbekend is. Tevens stelt [partij B] dat in de overeenkomst een forumkeuzebeding is opgenomen dat exclusieve jurisdictie toekent aan de rechtbanken van Estland, en dat Ests recht van toepassing is.
Hoewel de Nederlandse rechter op grond van de EPGV-Verordening bevoegd is om kennis te nemen van de vordering, wenst [partij A] dat de zaak wordt doorgestuurd naar de Estse rechter. De kantonrechter oordeelt dat gelet op het forumkeuzebeding en de wens van partijen de zaak wordt verwezen naar de bevoegde rechtbank in Estland. Partijen worden gewezen op het recht om elkaar bij exploot op te roepen voor nieuwe roldata.
Het vonnis is gewezen door rechter R.F. van Aalst en op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.