ECLI:NL:RBOVE:2025:6774

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
11917633 \ CV FORM 25-3099
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 1 EPGV-VerordeningArt. 5 lid 2 EPGV-VerordeningArt. 5 lid 3 EPGV-VerordeningArt. 74 lid 1 RvArt. 110 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing zaak naar Estse rechter op grond van forumkeuzebeding in Europese procedure voor geringe vorderingen

In deze civiele zaak heeft [partij A] een vordering ingesteld tegen [partij B], een buitenlandse rechtspersoon uit Estland, via de Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV-Verordening). De vordering betreft een bedrag van €3.500 gerelateerd aan de niet-conforme levering en beheer van een mining machine.

[Partij B] erkent het verlies van de machine en voert aan dat het hostingbedrijf in Dubai verdwenen is, waardoor de locatie van de machines onbekend is. Tevens stelt [partij B] dat in de overeenkomst een forumkeuzebeding is opgenomen dat exclusieve jurisdictie toekent aan de rechtbanken van Estland, en dat Ests recht van toepassing is.

Hoewel de Nederlandse rechter op grond van de EPGV-Verordening bevoegd is om kennis te nemen van de vordering, wenst [partij A] dat de zaak wordt doorgestuurd naar de Estse rechter. De kantonrechter oordeelt dat gelet op het forumkeuzebeding en de wens van partijen de zaak wordt verwezen naar de bevoegde rechtbank in Estland. Partijen worden gewezen op het recht om elkaar bij exploot op te roepen voor nieuwe roldata.

Het vonnis is gewezen door rechter R.F. van Aalst en op 18 november 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De kantonrechter verwijst de zaak naar de bevoegde rechtbank in Estland conform het forumkeuzebeding.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11917633 \ CV FORM 25-3099
Vonnis in het incident van 18 november 2025
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats],
eisende partij in de hoofdzaak, verweerder in het incident,
hierna te noemen: [partij A],
procederend in persoon,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[partij B],
te [vestigingsplaats] (Estland),
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij B],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
In het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (Verordening (EG) nr. 861/2007, hierna: EPGV-Verordening) heeft [partij A] door middel van het vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 EPGV Pro-Verordening, met producties, een vordering ingesteld, ontvangen op 9 oktober 2025.
1.2.
[partij B] is bij e-mail van 10 oktober 2025 door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om te reageren op de vordering van [partij A] middels het antwoordformulier C als bedoeld in artikel 5 lid 2 en Pro 3 EPGV-Verordening
1.3.
[naam] heeft namens [partij B] per e-mail van 10 oktober gereageerd.
1.4.
[partij A] is bij e-mail van 14 oktober 2025 door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om te reageren op bovengenoemde e-mail van [partij B].
1.5.
[partij A] heeft gereageerd bij e-mail van 14 oktober 2025.
1.6.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

Rechtsmacht Nederlandse rechter
2.1.
De kantonrechter stelt voorop dat de vordering een internationaal karakter heeft omdat [partij B] een rechtspersoon is naar buitenlands recht die in het buitenland is gevestigd. Daarom dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Omdat de vordering is ingesteld op grond van de EPGV-verordening is de Nederlandse rechter bevoegd om daarvan kennis te nemen.
In de hoofdzaak
2.2.
[partij A] heeft in de hoofdzaak gevorderd om [partij B] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.500,00.
2.3.
[partij A] heeft aan zijn vordering in de hoofdzaak, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd:
‘The claim concerns an amount of €3,500 related to the purchase of a mining machine, for which delivery and management were not carried out in accordance with the agreement. The defendant has confirmed that the machine had become untraceable.
Enclosed you will find the following documents:
Completed Form A (European Small Claims Procedure).
Copies of the relevant agreements.
Proof of payment.
Correspondence in which [partij B] acknowledges the loss of the machine.
The formal notice of non-performance.
Copy of my identification document.
I kindly request the court to process this claim and forward it to the competent court in Estonia in accordance with the procedure.’
2.4.
[naam] heeft hier per e-mail van 10 oktober 2025 als volgt op gereageerd:
‘To address the claim, I wish to explain that our business offered the procurement and hosting of crypto mining machines. This was a successful and healthy business until our Dubai-based partner, who was responsible for hosting the machines, disappeared, and the location of the machines is no longer known to us. This unfortunate event has been deeply distressing for our clients, and we sincerely wish it had not occurred. Beyond affecting our clients, this situation had placed our business in a very difficult position, with a current balance of less than € 2,000. Please see the attached documentation for reference, including a legal opinion from our councel in Dubai who has reviewed the case.’
In het incident
2.5.
[partij B] heeft per e-mail van 10 oktober 2025 het volgende aangevoerd:
‘I would like to confirm that, as agreed with [partij A], any disputes, controversies, or claims arising out of or in connection with the Mining Machine Management Agreement and/or the Mining Machine Supply Agreement (including any related Terms and Conditions) shall be governed by and construed in accordance with the laws of the Republic of Estonia. The courts of the Republic of Estonia shall have exclusive jurisdiction to settle any such disputes, including any matters concerning interpretation, validity, performance, or termination of the agreements.’
2.6.
[partij A] heeft verweer gevoerd. Samengevat erkent hij dat in de overeenkomst een rechtskeuze voor de Estse rechter en voor Estlands recht is opgenomen. Echter heeft hij een vordering ingesteld conform de EPGV-Verordening en deze procedure is bedoeld om consumenten binnen hun eigen lidstaat een vordering in te dienen tegen een onderneming die in een andere lidstaat is gevestigd. Daarom meent [partij A] dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.
2.7.
Volgens de kantonrechter valt dit aan te merken als een bevoegdheidsincident op grond waarvan dit vonnis in incident zal worden gewezen.

3.De beoordeling

In het incident
3.1.
Vaststaat dat in de overeenkomst tussen partijen een forumkeuzebeding is opgenomen om geschillen voor te leggen aan de rechter te Estland. Hiervoor reeds is geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Maar [partij A] heeft in het vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 EPGV Pro-Verordening, de kantonrechter van deze rechtbank gevraagd om de zaak in behandeling te nemen en door de sturen naar de bevoegde rechtbank in Estland. (“
I kindly request the court to process this claim and forward it to the competent court in Estonia in accordance with the procedure”) Gelet op deze wens van [partij A] en het verweer van [partij B] dat dezelfde strekking heeft, zal de kantonrechter de zaak doorsturen naar de bevoegde rechtbank in Estland om aldaar overeenkomstig het forumkeuzebeding in hoofdzaak te worden behandeld.
3.2.
De zaak zal dan ook in de stand van het geding worden verwezen naar de rechter te Estland.
3.3.
De kantonrechter wijst partijen erop dat iedere partij het recht heeft de overige partij(en) bij exploot op te roepen tegen een nieuwe roldatum (artikel 74 lid 1 jo Pro artikel 110 lid 2 Rv Pro).

4.De beslissing

De kantonrechter
In het incident
4.1.
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de rechter te Tallinn, Estland,
4.2.
wijst partijen erop dat iedere partij het recht heeft de overige partij(en) bij exploot op te roepen tegen een nieuwe roldatum.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op
18 november 2025.