ECLI:NL:RBOVE:2025:6775

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/08/339248 / KG ZA 25-242
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot medewerking verkoop gezamenlijke woning wegens ontbreken spoedeisend belang

Eiser en gedaagde zijn samenwoners geweest en gezamenlijk eigenaar van een woning en garage. Na hun relatiebreuk in 2020 is overeengekomen dat eiser met hun dochter in de woning zou blijven wonen totdat zij een huurwoning vond, terwijl gedaagde de hypotheeklasten zou betalen.

Gedaagde heeft meerdere keren betalingsachterstanden op de hypotheek gehad, die steeds zijn ingelost. Eiser heeft inmiddels een sociale huurwoning betrokken en wil dat gedaagde meewerkt aan de verkoop van de gezamenlijke woning. Zij vordert in kort geding dat gedaagde onvoorwaardelijk meewerkt aan verkoop en overdracht, onder meer door medewerking aan makelaar en sleuteloverdracht.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser geen spoedeisend belang heeft omdat de betalingsachterstand is weggewerkt en de bank de hypotheek niet heeft opgezegd. Er is geen acuut risico op executoriale verkoop. Gedaagde heeft bovendien een belang bij behoud van de woning en heeft nog tijd nodig om zijn financiële situatie te regelen voor overname.

De vorderingen worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen tot medewerking aan verkoop worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/339248 / KG ZA 25-242
Vonnis in kort geding van 12 november 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J.H. van den Berg,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de mondelinge behandeling van 29 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De zaak in het kort

2.1.
Kern van dit geschil is of [gedaagde] gehouden is om mee te werken aan de verkoop van de gezamenlijke woning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] geen spoedeisend belang bij haar vorderingen. Aangezien [gedaagde] de betalingsachterstand heeft ingelost is er geen sprake is van een dreigende executoriale verkoop. Dat oordeel zal hierna worden toegelicht.

3.De feiten

3.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond. Zij zijn ouders van [naam], geboren op [geboortedatum] 2012.
3.2.
[eiser] en [gedaagde] zijn sinds 15 december 2014 gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres 1] en de garage aan de [adres 2]. Aan de woning met bijbehorende garage is een hypothecaire lening bij de Rabobank verbonden.
3.3.
In december 2020 hebben [eiser] en [gedaagde] hun relatie verbroken. Partijen zijn toen onder meer overeengekomen dat [eiser] samen met hun dochter in de gezamenlijke woning mocht blijven wonen totdat zij een huurwoning zou hebben gevonden, terwijl [gedaagde] de hypothecaire last voor zijn rekening zou nemen.
3.4.
[gedaagde] heeft meerdere keren een achterstand in de betaling van de hypothecaire lasten laten ontstaan. Deze achterstanden heeft hij telkens ingelost.
3.5.
Vanaf omstreeks mei 2025 heeft [eiser] een sociale huurwoning toegewezen gekregen aan de [adres 3]. Zij woont daar met [naam] vanaf juni 2025. Daarvan heeft zij [gedaagde] op de hoogte gebracht.
3.6.
In september 2025 heeft een makelaar contact opgenomen met [eiser] vanwege een opdracht van de Rabobank om de woning te taxeren, omdat [gedaagde] een betalingsachterstand van twee maanden in de hypotheeklasten had laten ontstaan.
3.7.
Op 9 september 2025 heeft [eiser] de volgende e-mail aan de Rabobank gestuurd:

Na de scheiding tussen cliënte en de heer [gedaagde] is overeengekomen dat cliënte in hun woning aan de [adres 1] te Kampen zou blijven wonen tot zij een eigen huurwoning zou vinden. De heer [gedaagde] zou de betaling van de hypothecaire lasten voor zijn rekening blijven nemen. Inmiddels heeft cliënte een eigen huurwoning. Het is tot nu toe echter niet gelukt om in onderling overleg afspraken te maken over de overname, danwel verkoop van de woning. Het was cliënte niet bekend dat er op dit moment sprake is van een achterstand in de betaling van de hypotheekrente.
Cliënte wenst te doen wat mogelijk is om een gedwongen verkoop van de woning te voorkomen. In dat kader heb ik met haar afgesproken dat ik de heer [gedaagde] haar eigen voorkeur voor een verkoopmakelaar zal voorleggen, met het verzoek daarmee op korte termijn in te stemmen. Mocht een reactie daarop uitblijven, zal ik in kort geding vervangende toestemming voor verkoop vorderen.
Het leek mij goed om u hiervan schriftelijk op te hoogte te stellen. Van de nadere ontwikkelingen zal ik u op de hoogte houden.
Van uw collega begreep ik dat er vandaag is afgesproken dat de betalingsachterstand van twee maanden hypotheekrente nog deze week zal worden aangezuiverd. Ik ga ervan uit dat deze afspraak met de heer [gedaagde] is gemaakt nu cliënte zelf hierover geen contact met de bank heeft gehad. Voor het geval deze afspraak niet mocht worden nagekomen, verneem ik dat graag, zodat ik nog met cliënte kan bespreken of zij van haar kant nog mogelijkheden heeft op het punt van de achterstand.
3.8.
Op 16 september 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] een brief gestuurd waarin hem wordt verzocht om uiterlijk 19 september 2025 te laten weten of hij mee wilde werken aan de verkoop van de woning.

4.Het geschil

4.1.[eiser] vordert dat, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voorlopige voorziening:
[gedaagde] wordt veroordeeld om zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop en overdracht van de woning met garage van partijen aan de [adres 1] respectievelijk [adres 2] via [bedrijf];
[gedaagde] te veroordelen om aan de schriftelijke aanwijzingen van de makelaar te voldoen, op straffe van een aan [eiser] te verbeuren dwangsom van € 100,00 van iedere dag of een gedeelte van een dag dat [gedaagde] met de naleving hiervan in gebreke zal blijven, met een maximum van € 7.500,00;
[gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de sleutel van de woning en de garage aan de makelaar per datum waarop de schriftelijke opdracht aan de makelaar wordt gegeven al dan niet op basis van vervangende toestemming door uw voorzieningenrechter, op straffe van een aan [eiser] te verbeuren dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat hij met de naleving hiervan in gebreke zal blijven, met een maximum van € 7.500,00;
te bepalen dat de makelaar de doorslaggevende stem heeft bij aanvaarding van een bod; als het geboden bedrag marktconform is en het hoogst haalbare in de huidige markt dienen partijen dit bod te accepteren.
[gedaagde] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het in de woning en garage toelaten van de door [eiser] ingeschakelde makelaar en van eventuele geïnteresseerden/potentiële kopers die samen met de makelaar de woning willen bezichtigen, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een aan [eiser] te verbeuren dwangsom van € 750,00 voor iedere keer dat hij de makelaar dan wel geïnteresseerden niet binnenlaat, terwijl de makelaar zijn komst minimaal twee dagen van tevoren heeft aangekondigd met een maximum van € 25.000,00.
[gedaagde] te verbieden om bij bezoeken van de makelaar met geïnteresseerde kopers in de woning en/of garage aanwezig te zijn, anders dan bij het enkel binnenlaten van de makelaar en kopers, met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een aan [eiser] te verbeuren dwangsom van € 500,00 voor iedere keer dat hij in strijd handelt met dit verbod met een maximum van € 10.000,00;
zal bepalen dat het vonnis van uw voorzieningenrechter in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde] aan de onderhandse akte van verkoop in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro;
zal bepalen dat het vonnis van uw voorzieningenrechter in de plaats treedt van de medewerking van [gedaagde] aan de notariële akte van levering van het onroerend goed in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro;
zal bepalen dat dit vonnis in de plaats komt voor de eigendomsoverdracht en levering van het onroerend goed, noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van [gedaagde];
[gedaagde] te gebieden de woning en garage binnen drie maanden na betekening van het in deze te wijzen vonnis te verlaten en er niet meer terug te keren, althans een termijn in goede justitie te bepalen, onder gelijktijdige afgifte aan [eiser] van alle bij de woning en garage behorende sleutels, met machtiging aan [eiser] om dit zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te leggen;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van de hypothecaire lasten van de woning en garage totdat verkoop en levering van de woning aan derden heeft plaatsgevonden, op straffe van een dwangsom voor € 500,00 voor ieder keer dat hij deze verplichting niet (tijdig) nakomt, met een maximum van € 10.000,00;
althans een dusdanige beslissing te nemen als u in goede justitie vermeent te behoren.
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.
4.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
[eiser] heeft haar vorderingen ingesteld in kort geding. Daarvoor is vereist dat [eiser] spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, in die zin dat de uitkomst van een langer durende bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
[eiser] motiveert haar stelling dat zij spoedeisend belang heeft bij haar vordering door te stellen dat de Rabobank aandringt op een verkoop van de woning van partijen nu [gedaagde] meerdere keren een betalingsachterstand heeft laten ontstaan. Een gedwongen verkoop kan worden voorkomen indien een vrijwillige verkoop spoedig in gang wordt gezet. [gedaagde] verleent daaraan geen medewerking, aldus [eiser].
5.2.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] recent een betalingsachterstand had van twee maanden. Tevens staat vast dat hij met de Rabobank is overeengekomen dat hij deze achterstand op 9 september 2025 zou inlossen en dat hij deze afspraak ook is nagekomen. [gedaagde] heeft gemotiveerd en onweersproken aangevoerd dat er ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding al geen betalingsachterstand meer bestond en dat er sindsdien ook geen betalingsachterstand meer is ontstaan. Tussen partijen staat ook vast dat de Rabobank de hypothecaire lening niet heeft opgezegd. [eiser] heeft in dat kader aangevoerd dat de Rabobank tot opzegging zal overgaan als [gedaagde] nog een keer een achterstand laat ontstaan.
5.3.
De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat er momenteel geen sprake is van een betalingsachterstand ten aanzien van de hypotheek, zodat de bank, onder de gegeven omstandigheden, niet zal overgaan tot opzegging van de hypothecaire lening. Zolang [gedaagde] geen betalingsachterstand laat ontstaan is er geen acuut risico dat de Rabobank de executoriale verkoop van de woning in gang zal zetten. Er zijn ook geen concrete omstandigheden aangevoerd waaruit moet worden afgeleid dat op korte termijn een nieuwe betalingsachterstand zal ontstaan. Dat leidt tot het oordeel dat onvoldoende is gebleken dat [eiser] een zodanig spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen, dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
5.4.
De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat [gedaagde] belang heeft bij behoud van de woning, omdat hij de wens heeft om de woning over te nemen en [eiser] uit de hypothecaire hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat hij jarenlang fors heeft geïnvesteerd in de woning en dat deze woning hem veel waard is. Hij heeft ook aangevoerd dat hij om die reden met [eiser] is overeengekomen dat hij de woonlasten zou betalen en dat [eiser] in de woning mocht verblijven totdat zij een huurwoning toegewezen zou krijgen. Vervolgens heeft [eiser] vijf jaar later, te weten in juni 2025, een huurwoning betrokken, waardoor [gedaagde] de mogelijkheid kreeg om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat hij hiervoor meer tijd nodig heeft, omdat hij sinds ongeveer anderhalf jaar als zelfstandige werkt en nog niet beschikt over de voor de bank vereiste jaarcijfers om ontslag uit de hypothecaire hoofdelijke aansprakelijkheid mogelijk te maken. Daarvoor dient [gedaagde] de jaarcijfers van twee kalenderjaren aan te leveren.
5.5.
Dat [eiser] stress ervaart uit angst voor nieuwe betalingsachterstanden en de wens heeft om niet langer in onverdeeldheid te blijven, weegt daar onvoldoende tegen op. Als [eiser] de wens heeft om tot verdeling van de woning over te gaan, dan kan zij daarvoor in overleg treden met [gedaagde], en bij gebrek aan overeenstemming, een bodemprocedure starten waarin zij verdeling van de gemeenschap vordert.
Conclusie
5.6.
De voorzieningenrechter is gelet op het bovenstaande van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat [eiser] zodanig spoedeisend belang heeft bij haar vordering, dat van haar niet kan worden gevergd dat zij een bodemprocedure afwacht. De vorderingen zullen worden afgewezen.
Proceskosten
5.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
509,00

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 509,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.
EA