Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2025:6789

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
ak_25_1189
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7a, tweede lid, Algemene KinderbijslagwetArt. 14, eerste lid, Algemene KinderbijslagwetArt. 8:69a, tweede lid, Algemene wet bestuursrechtArt. 3:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens onjuiste informatie bij te late aanvraag extra kinderbijslag 2023

Eiser diende op 25 februari 2025 een aanvraag in voor extra kinderbijslag over 2023, die door de SVB werd afgewezen wegens te late indiening. De aanvraag had uiterlijk 1 december 2024 ingediend moeten worden. Eiser stelde dat hij onjuist was geïnformeerd over de voorwaarden, met name over de Wajong-uitkering die in de brief van 14 januari 2024 niet werd genoemd als niet-arbeidsinkomen.

De rechtbank stelde vast dat de informatie op de website van de SVB tot juni 2024 onjuist en verouderd was, waardoor eiser geen juiste grondslag had om tijdig een aanvraag te doen. De SVB erkende het ontbreken van de Wajong-uitkering in de brief, maar stelde dat eiser via een link op de website de juiste informatie had kunnen vinden. De rechtbank volgde dit niet, mede omdat de vraagstelling op de website destijds ook onjuist was.

De rechtbank oordeelde dat artikel 14 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet, dat een strikte aanvraagtermijn voorschrijft, in dit geval buiten toepassing moet blijven vanwege bijzondere omstandigheden en het evenredigheidsbeginsel. De SVB werd opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen op de aanvraag over 2023. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en de SVB moet een nieuwe beslissing nemen op de aanvraag extra kinderbijslag 2023.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1189

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB),

gemachtigde: mr. C.A. van der Vlist.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over eisers beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor extra kinderbijslag over het jaar 2023 voor zijn zoon [naam].
1.1.
Eiser heeft de aanvraag ingediend op 25 februari 2025. De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 19 maart 2025 afgewezen, omdat de aanvraag te laat is ingediend. Eiser had tot 1 december 2024 de tijd om de aanvraag te doen. Met het bestreden besluit van 10 april 2025 op het bezwaar van eiser is SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de SVB.

Standpunt van eiser

2. Eiser stelt dat de te late aanvraag hem niet is aan te rekenen, omdat de SVB hem onjuist heeft geïnformeerd. Hiertoe voert hij aan dat hij en zijn vrouw sinds 2016 dubbele kinderbijslag ontvangen voor thuiswonende kinderen die intensieve zorg nodig hebben. Daarnaast ontvangen zij sinds een aantal jaren ook jaarlijks een extra bedrag aan kinderbijslag. Tot en met 2021 voldeden zij aan de daarvoor geldende voorwaarden. Dit veranderde in 2022, omdat eisers vrouw in 2022 is gaan werken waardoor haar inkomen hoger werd dan het grensbedrag. Aangezien eisers Wajong-uitkering ook meer dan dat grensbedrag bedroeg hebben zij over 2022 geen aanvraag ingediend.
2.1.
Voor het jaar 2023 zijn de voorwaarden veranderd. Daarover ontving eiser op
14 januari 2024 een brief waarin staat dat in plaats van inkomen (in het algemeen) het vanaf 2023 gaat over arbeidsinkomen. Daarover stond het volgende vermeld:
"Met inkomen voor extra kinderbijslag wordt het arbeidsinkomen bedoeld.
Arbeidsinkomen is bijvoorbeeld loon, winst uit onderneming of inkomen uit overige
werkzaamheden. Geen arbeidsinkomen is een pensioen, bijstandsuitkering, AOW, Anw, WW of WIA."
Omdat de Wajong-uitkering hierbij niet is genoemd heeft eiser geen aanvraag ingediend.
2.2.
Met de brief van 15 januari 2025 heeft eiser informatie van de SVB ontvangen over het recht op extra kinderbijslag voor het jaar 2024. Daarin werd arbeidsinkomen als volgt uitgelegd:
"Met inkomen voor extra kinderbijslag wordt het arbeidsinkomen bedoeld.
Arbeidsinkomen is bijvoorbeeld loon, winst uit onderneming of inkomen uit overige
werkzaamheden. Geen arbeidsinkomen is een pensioen, bijstandsuitkering, AOW, Anw, WW, WIA of Wajong-uitkering."
Omdat de Wajong-uitkering hierbij wel is vermeld heeft eiser een aanvraag ingediend en is de extra kinderbijslag van € 2.634,17 over het jaar 2024 ook toegekend. Dit staat in het besluit van 20 januari 2025.
2.3.
Vanwege het verschil in tekst van de brieven van begin 10 januari 2024 (over 2023) en 15 januari 2025 (over 2024) heeft eiser bij de SVB geïnformeerd waarom de informatie verschilde. Vervolgens heeft hij op 25 februari 2025 alsnog een aanvraag ingediend voor het jaar 2023.
2.4.
Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de informatie over 2023 onjuist was, heeft eiser in bezwaar gearchiveerde webpagina's van het SVB geraadpleegd om te achterhalen of hij daar de informatie destijds had kunnen vinden. Daaruit blijkt dat zowel op 3 februari 2024 alsook op 4 maart 2024 nog de informatie zoals die voor het jaar 2022 gold op de website stond vermeld. De eerstvolgende archivering van die webpagina van 24 juni 2024 laat pas de juiste informatie zien.

Standpunt SVB

3. De SVB ziet naar aanleiding van het beroepschrift geen aanleiding om de beslissing te wijzigen. In het verweerschrift wordt allereerst verwezen naar de beslissing op bezwaar. Daarin staat dat uit het feit dat de Wajong-uitkering destijds niet in de brief of op de website werd genoemd, niet automatisch volgt dat de Wajong-uitkering daarom ook als inkomen uit arbeid gezien zou moeten worden. Dat hier in de loop van de tijd informatie aan is toegevoegd (door ook de Wajong-uitkering te vermelden) over wat onder arbeidsinkomen wordt verstaan, doet hier niets aan af. Het betrof geen limitatieve opsomming.
3.1.
In het verweerschrift vermeldt de SVB verder dat de website algemene informatie geeft en begrepen wordt hoe eiser die informatie gelezen en geïnterpreteerd heeft. De SVB blijft echter bij het standpunt dat geen sprake is geweest van een uitdrukkelijke onjuiste mededeling waaruit eiser kon of moest afleiden dat hij over het jaar 2023 geen recht had op extra kinderbijslag. Ook is zeker niet gebleken dat hij daarvoor geen aanvraag zou kunnen indienen. Het had hem vrijgestaan om een tijdige aanvraag te doen. Daarvoor is nu juist ook de brief van 14 januari 2024 gestuurd. Ook had eiser via de daarin vermelde link die leidde naar vraagstellingen kunnen nagaan of hij recht had op extra kinderbijslag voor het jaar 2023. Bovendien had hij bij twijfel contact op kunnen nemen. Tijdens de zitting heeft de SVB ook gewezen op de uitspraak van 14 oktober 2024 van deze rechtbank met het kenmerk: ECLI:NL:RBOVE:2024:5275.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep gegrond is en licht dit als volgt toe.
4.1.
In artikel 7a, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) is bepaald wanneer een verzekerde recht heeft op een extra bedrag aan kinderbijslag. In artikel 14, eerste lid, van de Akw staat dat de SVB op aanvraag vaststelt of een recht op kinderbijslag bestaat. De aanvraag om het extra bedrag aan kinderbijslag dient te worden ingediend voor
1 december van het kalenderjaar na het kalenderjaar waarover recht op het extra bedrag aan kinderbijslag bestaat.
4.2.
Niet in geschil is dat de aanvraag van 25 februari 2025 voor het extra bedrag aan kinderbijslag over het jaar 2023 te laat is ingediend. Eiser stelt dat de te late aanvraag hem niet is aan te rekenen, omdat de SVB hem onjuist heeft geïnformeerd. De rechtbank vult deze beroepsgrond aan [1] als een verzoek om het vereiste in artikel 14, eerste lid, van de Akw in zijn geval buiten toepassing te laten, onder meer vanwege het evenredigheidsbeginsel. [2]
4.3.
Artikel 14 van Pro de Akw is dwingend recht. Dat betekent dat de SVB zich aan de daarin opgenomen aanvraagtermijn moet houden. De rechter mag ook niet treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht. Dit neemt echter niet weg dat, als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, dit aanleiding kan zijn tot een andere uitkomst in een concrete zaak dan waartoe de strikte toepassing van de wet leidt.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat eiser niet juist is geïnformeerd. Eiser heeft in zijn beroepschrift inzichtelijk en navolgbaar aangegeven waarom hij voor het jaar 2023 geen aanvraag heeft ingediend en hierover tijdens de zitting ook geloofwaardig verklaard. Uit de gearchiveerde webpagina’s blijkt bovendien dat pas vanaf 24 juni 2024 de juiste informatie op de website stond.
4.5.
Hierbij betrekt de rechtbank ook dat de SVB erkent dat de Wajong-uitkering niet in de brief van 14 januari 2024 stond en destijds ook niet op de website was vermeld. De SVB stelt zich desondanks op het standpunt dat eiser via de link in de brief de vraagstelling had kunnen raadplegen. De rechtbank volgt dit standpunt niet, omdat de SVB niet heeft onderbouwd dat ondanks dat op de website nog de verouderde informatie (over 2022) stond de vraagstelling om een belanghebbende te laten beoordelen of recht op extra kinderbijslag bestond destijds wel juist was. Tijdens de zitting is nog aangegeven dat op dit moment de juiste vraagstelling op de website staat, maar dat is in dit geval niet van belang. Het gaat immers om de informatie en vraagstelling zoals die begin 2023 op de website van de SVB stonden. Gelet op deze feiten en omstandigheden volgt de rechtbank de SVB niet in het standpunt dat eiser bij twijfel contact had kunnen of had moeten opnemen. De verwijzing naar de uitspraak van 14 oktober 2024 maakt het oordeel van de rechtbank ook niet anders, omdat die uitspraak niet vergelijkbaar is. In die uitspraak ging het niet om onjuiste informatie maar over het versturen van brieven via de online berichtenbox.
4.6.
Het vereiste dat een aanvraag om extra bedrag aan kinderbijslag dient te worden ingediend voor 1 december van het kalenderjaar na het jaar waarover recht op kinderbijslag bestaat, moet gelet op deze feiten en omstandigheden in dit geval buiten toepassing blijven. De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat eiser en zijn vrouw over het jaar 2024 weer extra kinderbijslag hebben ontvangen voor [naam] en het ondanks de te late aanvraag voor de SVB mogelijk was om het recht over 2023 te beoordelen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De SVB zal alsnog een inhoudelijke beslissing dienen te nemen op de aanvraag om extra kinderbijslag over het jaar 2023.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de SVB het griffierecht van € 53,- aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 april 2025;
- bepaalt dat de SVB binnen zes weken na de datum van de uitspraak een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- draagt de SVB op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:69a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.