ECLI:NL:RBOVE:2025:6839

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
11832467 \ EJ VERZ 25-231
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de rechtsgeldigheid van een proeftijdbeding in een arbeidsovereenkomst en de gevolgen van onrechtmatige opzegging

In deze zaak staat de vraag centraal of partijen een proeftijdbeding zijn overeengekomen in de arbeidsovereenkomst van de verzoeker, die in dienst was bij Novon Schoonmaak Gebouwen B.V. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is, wat betekent dat de werkgever de arbeidsovereenkomst op rechtmatige wijze heeft opgezegd binnen de proeftijd. De verzoeker had de kantonrechter verzocht om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen, het loon met terugwerkende kracht te betalen en haar weer tot het werk toe te laten. De verzoeker betwistte de rechtmatigheid van de opzegging, omdat zij stelde dat er geen proeftijd was overeengekomen. De kantonrechter heeft echter vastgesteld dat de door Novon in het geding gebrachte kopie van de arbeidsovereenkomst, waarin een proeftijdbeding is opgenomen, de juiste versie is. De verzoeker heeft geprobeerd om met verschillende kopieën van de arbeidsovereenkomst aan te tonen dat er geen proeftijdbeding was, maar de kantonrechter oordeelt dat de verzoeker wijzigingen heeft aangebracht in de tekst van deze kopieën. Hierdoor is de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Novon rechtmatig en worden de verzoeken van de verzoeker afgewezen. De verzoeker wordt bovendien veroordeeld in de proceskosten, omdat zij zich heeft gebaseerd op onjuiste feiten en omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11832467 \ EJ VERZ 25-231
Beschikking van de kantonrechter van 27 november 2025
in de zaak van
[verzoeker]
te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
procederend in persoon,
tegen
NOVON SCHOONMAAK GEBOUWEN B.V.,
te Zwolle,
verwerende partij,
hierna te noemen: Novon,
gemachtigde: mr. M.H. van Daal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoeker],
- het verweerschrift van Novon,
- de nagezonden stukken van [verzoeker].
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 30 oktober 2025. Namens Novon zijn verschenen mevrouw [naam 1] (HR-directeur), mevrouw [naam 2] (HR-adviseur) en mevrouw [naam 3] (objectleider), bijgestaan door de gemachtigde mr. M.H. van Daal. [verzoeker] heeft vlak voor de mondelinge behandeling bericht dat zij niet aanwezig zal zijn omdat haar ID-kaart is verlopen. Zij heeft de mondelinge behandeling, op verzoek van de kantonrechter, telefonisch bijgewoond.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is op 26 mei 2025 in dienst getreden bij Novon in de functie van schoonmaakster op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met de duur van zeven maanden. De arbeidsovereenkomst is op 3 juni 2025 (digitaal) door partijen getekend.
2.2.
[verzoeker] heeft op 11 juni 2025 een Whatsappbericht ontvangen van haar leidinggevende (mevrouw [naam 3]) waarin is vermeld dat Novon de arbeidsovereenkomst van [verzoeker], met gebruikmaking van de proeftijd, opzegt. Dit heeft Novon bij e-mail van 16 juni 2025 nogmaals aan [verzoeker] bevestigd.
2.3.
Op 17 juni 2025 heeft [verzoeker] een e-mail aan Novon gestuurd waarin zij schrijft dat zij niet akkoord gaat met het ontslag omdat er geen proeftijd is overeengekomen. Zij verwijst daarbij naar een kopie van de arbeidsovereenkomst in de bijlage (hierna te noemen: kopie A). Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende:
[Afbeelding]
2.4.
Novon heeft bij e-mail van 18 juni 2025 [verzoeker] bericht dat de gestuurde arbeidsovereenkomst afwijkt van de oorspronkelijk getekende arbeidsovereenkomst en dat er wel een proeftijd is overeengekomen.
2.5.
De voormalige gemachtigde van [verzoeker] (mr. Blaauwboer) heeft op 31 juli 2025 Novon gemaild dat in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat geen proeftijd van toepassing is. De opzegging van de arbeidsovereenkomst is daarom volgens haar onrechtmatig. Novon heeft dezelfde dag een getekende arbeidsovereenkomst aan de gemachtigde gemaild waarin wel een proeftijd van een maand is overeengekomen. De gemachtigde heeft bij e-mail van 1 augustus 2025 gereageerd, waarbij zij een kopie van de volgens [verzoeker] getekende arbeidsovereenkomst voegde (hierna: kopie B). Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende:
[Afbeelding]
2.6.
Op 8 augustus 2025 heeft [verzoeker] (zonder gemachtigde) het verzoekschrift ingediend met een bijgevoegde kopie van een arbeidsovereenkomst (hierna: kopie C). In kopie C staat, voor zover hier van belang, het volgende:
[Afbeelding]
2.7.
Door Novon is bij verweerschrift ook een kopie van een arbeidsovereenkomst in het geding gebracht (hierna: kopie D). Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende:
[Afbeelding]
2.8.
Op 22 augustus 2025 heeft Novon een brief gestuurd aan [verzoeker] waarin zij meldt dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] vanwege een dringende reden met onmiddellijke ingang wordt opgezegd voor het geval zou blijken dat deze nog bestaat (een voorwaardelijk ontslag op staande voet).

3.Het geschil

3.1.
[verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht om:
de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen;
Novon te veroordelen om het loon met terugwerkende kracht te betalen;
Novon te gebieden haar weer tot het werk toe te laten;
Novon in de proceskosten te veroordelen.
3.2.
[verzoeker] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de opzegging niet rechtmatig is, omdat volgens haar geen proeftijd is overeengekomen. Zij verwijst daarbij naar de door haar in het geding gebrachte kopie van de arbeidsovereenkomst (kopie C).
3.3.
Volgens Novon is de opzegging wel rechtmatig. Zij stelt dat in de arbeidsovereenkomst een proeftijdbeding staat en zij op grond daarvan de arbeidsovereenkomst heeft mogen opzeggen. Volgens Novon is de door haar in het geding gebrachte kopie D de door partijen getekende arbeidsovereenkomst. De door
[verzoeker] in het geding gebrachte kopie C is volgens Novon niet de juiste. [verzoeker] heeft bij kopie C ‘geknoeid’ in de tekst, waardoor er ten onrechte staat dat geen proeftijd van toepassing is. Novon wijst daarbij op twee kopieën van de arbeidsovereenkomst die door [verzoeker] en haar voormalig gemachtigde aan Novon zijn gestuurd (kopieën A en B). Die kopieën bevatten ook wijzigingen (op andere wijze dan kopie C) ten opzichte van kopie D. Voor het geval het voorgaande niet opgaat, is volgens Novon in ieder geval de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden op 22 augustus 2025 opgezegd. De dringende reden is in dit geval gelegen in de omstandigheid dat [verzoeker] geknoeid heeft in de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst om te doen voorkomen dat geen proeftijd is overeengekomen en dat gebleken is dat zij bij haar sollicitatie een vervalst diploma heeft laten zien. Novon vraagt, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, om een volledige proceskostenveroordeling van [verzoeker].

4.De beoordeling

4.1.
In deze zaak staat de vraag centraal of partijen een proeftijdbeding zijn overeengekomen in de arbeidsovereenkomst. Aangezien Novon zich op de rechtsgevolgen van dit beding beroept, rust op haar de stelplicht, en bij voldoende gemotiveerde betwisting, de bewijslast dat dit beding is overeengekomen.
4.2.
Volgens Novon volgt uit kopie D dat partijen een proeftijdbeding zijn overeengekomen. Weliswaar staan er op de bij het verweerschrift gevoegde versie van kopie D geen handtekeningen van partijen, maar volgens de gemachtigde van Novon komt dat doordat de (digitale) handtekeningen zijn weggesprongen toen het bestand voor het verweerschrift is omgezet naar pdf-formaat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Novon een versie van kopie D in het geding gebracht die wel door partijen getekend is.
4.3.
Onder verwijzing naar kopie C betwist [verzoeker] dat kopie D de door partijen getekende arbeidsovereenkomst is. Die betwisting van [verzoeker] is naar oordeel van de kantonrechter niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd. Daarbij acht de kantonrechter de volgende niet weersproken feiten en omstandigheden van belang:
  • De tekst van de artikelen 3 en 4 van (de door [verzoeker] in het geding gebrachte) kopie C wijkt af van de tekst van (de door [verzoeker] bij e-mail van 17 juni 2025 aan Novon gestuurde) kopie A;
  • Ook wijkt de tekst van (de namens [verzoeker] door haar voormalig gemachtigde aan Novon gezonden) kopie B af van (de door Novon in het geding gebrachte) kopie D;
  • De teksten van de artikelen 3 en 4 in kopie A en B verschillen ook onderling, zodat aangenomen moet worden dat [verzoeker] bij verschillende gelegenheden aan de hand van drie verschillende kopieën heeft geprobeerd aan te tonen dat geen proeftijdbeding is overeengekomen;
  • Verder is opvallend dat de laatste pagina van kopie C voor wat betreft opmaak en tekst gelijk is aan kopie D van Novon, maar dat de andere pagina’s in afwijking van kopie D geen vetgedrukte kopjes kennen en niet een doorlopende tekst vormen met de laatste pagina;
  • Ook valt op dat in kopie C, in afwijking van de stijl, de interpunctie en het grammaticaal correct Nederlands in de rest van de tekst:
o in de artikelen 3 en 4 geen punt is gezet aan het einde van de zin;
o in artikel 3 een extra spatie tussen de woorden “geen” en “proeftijd” is geplaatst;
o artikel 4 geen kopje heeft;
o in artikel 4 op onjuiste wijze twee hoofdletters zijn geplaatst bij “nietTussentijds” en bij “Beide”;
o artikel 4 grammaticaal onjuist is geformuleerd (“opzegt worden” in plaats van “opgezegd worden”).
4.4.
Ter zitting heeft [verzoeker] erkend dat zij kopie A bij haar e-mail van 17 juni 2025 heeft gevoegd en kopie C bij het verzoekschrift. Kopie A heeft zij, zo stelt zij, ook aan haar voormalig gemachtigde gegeven. Zij heeft, hoewel daar uitdrukkelijk naar is gevraagd, aangegeven geen verklaring te kunnen geven voor de verschillen tussen de kopieën A, B en C en de afwijkingen van artikel 3 en 4 van de rest van de tekst in kopie C. In algemene zin heeft zij aangevoerd dat niet zij, maar Novon zich valselijk zou baseren op een (kopie van) een arbeidsovereenkomst met een proeftijdbeding. [verzoeker] heeft echter nog geen begin van een toelichting gegeven in welk scenario kopie C onder de hiervoor geschetste omstandigheden de door partijen gesloten arbeidsovereenkomst kan zijn.
4.5.
Gelet op de hiervoor omstandigheden, staat het naar oordeel van de kantonrechter vast dat de door Novon in het geding gebrachte kopie D – met proeftijdbeding – de door partijen getekende arbeidsovereenkomst is en [verzoeker] zelf wijzigingen in de tekst van de kopieën A, B en C heeft aangebracht ten einde daarmee ten onrechte de suggestie willen wekken dat geen proeftijd is overeengekomen. Dat betekent dat moet worden aangenomen dat Novon binnen de proeftijd en op rechtmatige wijze de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. De verzoeken van [verzoeker] worden daarom afgewezen.
Proceskosten
4.6.
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Novon heeft daarbij gevraagd om [verzoeker] te veroordelen in de daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten, omdat [verzoeker] tegen beter weten is gaan procederen en daarbij een beroep heeft gedaan op vervalste arbeidsovereenkomsten.
4.7.
Het is vaste rechtspraak dat slechts in buitengewone omstandigheden de in het ongelijk gestelde partij in de volledige proceskosten kan worden veroordeeld [1] . Het moet daarbij gaan om misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het indienen van het verzoek in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan sprake zijn als verzoeker zijn verzoek baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.
4.8.
In dit geval moet worden aangenomen dat [verzoeker] zich bij dit verzoekschrift heeft gebaseerd op een (ten opzichte van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst) gewijzigde kopie van de arbeidsovereenkomst. Aangezien zij zelf de kopieën A en C aan Novon heeft gemaild c.q. bij het verzoekschrift heeft gevoegd, kan het niet anders zijn dat zij heeft geweten dat zij een beroep deed op gewijzigde (deels vervalste) kopieën. Daarmee staat voldoende vast dat zij zich heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende, zodat de verzoeken, vanwege de evidente ongegrondheid ervan achterwege hadden moeten blijven. Er is dan ook sprake van misbruik van procesrecht, zodat in beginsel aanleiding bestaat [verzoeker] te veroordelen in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten.
4.9.
Novon heeft ter onderbouwing van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten facturen van haar gemachtigde in het geding gebracht tot een bedrag van € 3.132,11. Naar het oordeel van de kantonrechter komen de kosten die vermeld staan op de facturen niet onredelijk voor. Ter zitting heeft Novon opgemerkt dat zij ervan uitgaat dat [verzoeker] – die in persoon procedeert en waarvan niet vaststaat dat zij rechtsbijstand heeft gehad die haar op het risico van een volledige proceskostenvergoeding heeft gewezen – geen verhaal zal bieden voor de (volledige) proceskosten en dat zij veroordeling daartoe met name ziet als een signaal voor [verzoeker].
In deze omstandigheden ziet de kantonrechter, mede gelet op de hiervoor genoemde geboden terughoudendheid, aanleiding de vordering tot volledige proceskostenveroordeling deels toe te wijzen, in die zin dat zij (naast de gebruikelijke, forfaitaire, proceskosten) de helft van het verschil tussen dat forfaitaire tarief en de volledige proceskosten zal moeten betalen. De proceskosten aan de zijde van Novon worden daarom begroot op € 2.108,06. Dat bedrag is als volgt opgebouwd:
€ 1.973,06 aan salaris gemachtigde (€ 814,00 + ((€ 3.132,11 – € 814,00)/2)) en
€ 135,00 aan nakosten.
Daarnaast zal [verzoeker] de kosten van betekening van deze beslissing moeten betalen zoals vermeld in de beslissing.
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de verzoeken van [verzoeker] af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.108,06, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.W.G. Wijnands, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.

Voetnoten

1.zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.