ECLI:NL:RBOVE:2025:6918

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
ak_25_3230
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit bijstandverlening zelfstandigen 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstand zelfstandigen wegens ontbreken spoedeisend belang

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker had een aanvraag gedaan voor bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en voor bedrijfskapitaal van €150.000,- op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Het college van burgemeester en wethouders van Zwolle had deze aanvraag en het daaropvolgende bezwaar afgewezen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat bij financiële geschillen doorgaans geen sprake is van onverwijlde spoed, omdat het bedrag na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald. Verzoeker stelde dat hij sinds 2023 geen inkomen meer ontvangt en zijn vaste lasten niet meer kan betalen, maar heeft dit niet onderbouwd met bankafschriften of andere documenten ondanks meerdere verzoeken daartoe.

Daarom concludeerde de voorzieningenrechter dat het spoedeisend belang ontbrak en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3230

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college

(gemachtigde: mr. L.J. Luigies).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvragen van verzoeker om toekenning bijstand stand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan en om bedrijfskapitaal tot een bedrag van € 150.000,- op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Het college heeft deze aanvraag met het het besluit van 3 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 september 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Verzoeker voert hierover aan dat hij sinds 2023 geen inkomen ontvangt en niet langer zijn vaste lasten kan betalen. De voorzieningenrechter heeft daarom op 11 november 2025 en daarna nogmaals op 19 november 2025 verzoeker in de gelegenheid gesteld zijn spoedeisend belang te onderbouwen. Bij brief van 19 november 2025 heeft de rechtbank verzoeker verzocht om zijn verzoek in ieder geval te onderbouwen met bankafschriften van de laatste maand van zijn privérekening en daarnaast desgewenst met andere documenten. Hij heeft daarvoor een termijn van een week gekregen. Buiten deze termijn heeft de voorzieningenrechter een reactie ontvangen van verzoeker met alleen een herhaling van diens stelling dat hij niet langer in staat is tot het betalen van zijn vaste lasten. Hij heeft geen bankafschriften of andere documenten ter onderbouwing overgelegd.
De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.